Als jij mij was
en ik was jou
zouden we dan elkaar zijn?
Of zouden we nog steeds onszelf zijn,
maar dan in omgekeerde evenredigheid?
zondag 1 februari 2009
zaterdag 24 januari 2009
Verwondering
Je staat erbij en kijkt ernaar. Je ogen lijken de jouwe niet meer wanneer je niet langer over de kracht schijnt te beschikken om ze weg te draaien. En dat hoeft ook niet. Wat je ziet is niet alledaags, althans niet voor jou. Anderen zien het elke dag en reageren er nog nauwelijks op, jij ervaart het als een wonder. Je stokte. Ik zag je gezichtsuitdrukking veranderen en wist dat praten geen zin meer had. De betovering moet zichzelf verbreken.
Ik blijf staan en word zoals steeds meegetrokken in de kronkels van je verkenningstocht. Ertegen vechten heeft geen zin. Terwijl we samen de rivier afdalen, besef ik dat je eigenlijk nog een kind bent. En dat je dat eigenlijk altijd zal blijven. Maar dat stoort me niet. Je leert me keer op keer dat de wereld eigenlijk zoveel mooier is dan volwassenen denken dat hij is. Wat je in een bepaald opzicht volwassener maakt dan zij. Ze zullen het niet toegeven, maar wij twee weten het. We weten het wanneer ze onbegripvol reageren op je nieuwste ontdekking. Ik weet het wanneer ik je daar doodgelukkig zie staan. Je hebt iets nieuws ontdekt en proeft er met volle teugen van. Je wereld wordt weer iets mooier. Het is ook wel een knappe verschijning, zelfs op de plaats waar we ons fysiek bevinden terwijl jouw gedachten elders zijn. Maar zo zit jij niet in elkaar. Jij beschikt over de gave om op een geheel eigenzinnige wijze te oordelen over mooi en lelijk. Je prikt zò door opgelegde wereldbeelden heen, omdat jouw universum zo helemaal anders in elkaar zit dan het onze. Je laat je niet bedotten. Ook al denken de meeste mensen dat ze je alles kunnen wijsmaken. Het lukt hen zelden. Jij bestaat op jezelf. Hetgeen zij als domheid beschouwen, maakt deel uit van jouw wijsheid. Wat jou boeit, laat hen onverschillig. Met het ouder worden raken zij hun zin voor schoonheid kwijt, het jouwe vermenigvuldigt zich dagelijks. Gelukkig ben je er mettertijd in geslaagd mij te betrekken in jouw wondere wereld, ook al was ik een trage leerling. Ik zou niet weten wat er anders van mij geworden was. Naar alle waarschijnlijkheid zou ik zijn weggezakt in een bodemloze depressie, zoals de meeste anderen in mijn leefwereld.
Ik voel dat je aan mijn mouw trekt. Je hebt je roes doorbroken en haalt me uit de mijne. “Mooi.” De meeste domme volwassenen zouden het als een vraag zien, maar ik weet dat het een antwoord is op de ongestelde vraag die minuten lang tussen ons in hing.
Ik blijf staan en word zoals steeds meegetrokken in de kronkels van je verkenningstocht. Ertegen vechten heeft geen zin. Terwijl we samen de rivier afdalen, besef ik dat je eigenlijk nog een kind bent. En dat je dat eigenlijk altijd zal blijven. Maar dat stoort me niet. Je leert me keer op keer dat de wereld eigenlijk zoveel mooier is dan volwassenen denken dat hij is. Wat je in een bepaald opzicht volwassener maakt dan zij. Ze zullen het niet toegeven, maar wij twee weten het. We weten het wanneer ze onbegripvol reageren op je nieuwste ontdekking. Ik weet het wanneer ik je daar doodgelukkig zie staan. Je hebt iets nieuws ontdekt en proeft er met volle teugen van. Je wereld wordt weer iets mooier. Het is ook wel een knappe verschijning, zelfs op de plaats waar we ons fysiek bevinden terwijl jouw gedachten elders zijn. Maar zo zit jij niet in elkaar. Jij beschikt over de gave om op een geheel eigenzinnige wijze te oordelen over mooi en lelijk. Je prikt zò door opgelegde wereldbeelden heen, omdat jouw universum zo helemaal anders in elkaar zit dan het onze. Je laat je niet bedotten. Ook al denken de meeste mensen dat ze je alles kunnen wijsmaken. Het lukt hen zelden. Jij bestaat op jezelf. Hetgeen zij als domheid beschouwen, maakt deel uit van jouw wijsheid. Wat jou boeit, laat hen onverschillig. Met het ouder worden raken zij hun zin voor schoonheid kwijt, het jouwe vermenigvuldigt zich dagelijks. Gelukkig ben je er mettertijd in geslaagd mij te betrekken in jouw wondere wereld, ook al was ik een trage leerling. Ik zou niet weten wat er anders van mij geworden was. Naar alle waarschijnlijkheid zou ik zijn weggezakt in een bodemloze depressie, zoals de meeste anderen in mijn leefwereld.
Ik voel dat je aan mijn mouw trekt. Je hebt je roes doorbroken en haalt me uit de mijne. “Mooi.” De meeste domme volwassenen zouden het als een vraag zien, maar ik weet dat het een antwoord is op de ongestelde vraag die minuten lang tussen ons in hing.
woensdag 21 januari 2009
Het kanaal
Het is zomer en het is drukkend warm. Langs het kanaal loopt een man. Hij is van middelbare leeftijd. Op het eerste zicht lijkt hij ietwat corpulent, maar als je beter kijkt zie je dat die indruk enkel gewekt wordt door een veel te wijde jas. Een jas met een raar model. Bij nader inzien veeleer een zak dan een jas. Rond zijn benen floddert iets wat in een vorig leven een geklede beige broek geweest moet zijn.
De man met de veel te wijde jas heeft geen hond bij zich, wat het excuus is van het overgrote deel van de mensen dat je hier treft. Daarnaast heb je de sportievelingen, voor wie de weg langs het kanaal de uitgelezen mogelijkheid is om de benen te strekken. De overige verdwaalde zielen komen tussen de struiken langs de weg iets helemaal anders strekken. Maar hen kom je overdag niet vaak tegen. En al helemaal niet op een zondagnamiddag als deze, wanneer de kade steevast enkele fervente vissers herbergt. Die komen hier immers niet om te vogelen.
In welke groep deze man thuishoort, is niet meteen duidelijk. Hoewel zijn jas iets anders doet vermoeden, loopt hij fanatiek over het verharde pad langs het kanaal. Hij huppelt haast. Het geheel resulteert in een verbluffende contradictio in terminis. Op zijn uiterlijk afgaand zou je vermoeden dat hij een kettingroker is, of anders een alcoholist. Iemand die zijn leven verziekt heeft en niet goed weet hoe hij het weer op de rails kan krijgen. Niet als iemand die de energie bezit om over een pad te dansen.
Naast het paadje langs het kanaal zit een meisje. Een jonge vrouw. Ze kijkt bedrukt voor zich uit. Onder haar strakke kleding tekent zich een gezond lichaam af. Ook zij heeft noch een hond, noch een hengel bij zich. Bijgevolg is het evenmin duidelijk waarom zij hier zit.
Een paar meter van het meisje vandaan zit een man te vissen. Hij moet eind de vijftig zijn. Hij draagt groene rubberlaarzen en een verschoten rood vissershoedje. Zijn bodywarmer is vuilgeel. Hij ziet eruit als een verkeerslicht. Niet dat hij zich daar iets van aantrekt. Tot enkele jaren geleden zou hij in die kleren nooit ofte nimmer de deur uit zijn gegaan. Maar nu hij impotent is, doet het er allemaal niet meer toe. Niet dat hij zich met zijn lot verzoend heeft. Integendeel. Hij zou niets liever willen dan eens stevig van bil gaan. Maar aangezien dat niet meer lukt, wil hij er zo min mogelijk aan herinnerd worden. Daarom zit hij hier. Hier is het veilig.
De man met de wijde jas en de in een vroeger leven geklede beige broek dartelt de richting van de jonge vrouw uit. Door het op-en-neer gehos is zijn hoofd rood aangelopen. Het kettingroken mag, gezien het feit dat hij amper veertig seconden eerder beginnen huppelen is, toch niet volledig uitgesloten worden. Tegen de tijd dat hij het meisje bereikt, ziet hij eruit als een dronken tuinkabouter.
Het meisje kijkt hem geringschattend aan wanneer hij amper twee meter voor haar voeten bruusk halt houdt. Het zweet staat in druppels op zijn voorhoofd. Hij buigt voorover en gaat met de handen op de knieën staan uithijgen.
“Zo olijk?”
De man kijkt op. Van zijn gezicht valt niet af te lezen of hij haar al eerder had opgemerkt.
“Inderdaad.”
Hoewel hij klinkt alsof hij een rasp in zijn keelgat heeft zitten, weet hij het woord trots uit te spreken. Triomfantelijk bijna.
“Proficiat. Ga zo verder.”
Het is duidelijk een uitdaging. Alsof ook het meisje verwacht dat een halve minuut langer huppelen zijn dood zal betekenen.
“Alles op zijn tijd. Je mag gerust meedoen. Je ziet eruit alsof je het wel kan gebruiken.”
Een moment lang lijkt het alsof ze gekwetst is door zijn opmerking. Alsof zijn opgewekte rokerslongen het in haar ogen winnen van haar fitte, maar sombere lichaam.
“Huppel op.”
Zijn wenkbrauwen gaan een tikje omhoog.
“Ook goed.”
Het genoegen om zijn humeur te verpesten gunt hij haar niet. Hij maakt aanstalten om verder te huppelen.
“Nee, wacht.”
Op zijn hoede draait hij zich om. Dit heeft hij al eerder meegemaakt. Wispelturige vrouwen zijn vaak gevaarlijker dan manisch depressieve gijzelaars.
“Ja?”
Zij kijkt hem doordringend aan. Hij vindt dat vrouwen een vervelende manier hebben om anderen hun mening op te leggen. Maar dat neemt niet weg dat het bedroevend is dat een knappe verschijning als zij somber zit te wezen aan de oever van het kanaal. Net nu hij zo vrolijk is. Zij merkt op dat er onder de te wijde jas en de verschoten broek geen bierbuik zit.
“Ik weet wat.”
Terwijl ze hem nog steeds doordringend aankijkt, schuifelt ze op haar achterwerk de struiken in. Hij kan het niet bevatten.
“Misschien kom je daar beter terug uit,” probeert hij.
Zij vraagt zich af hoe een raspende kreun klinkt. Ze besluit dat ze erachter wil komen. Wanneer er geen antwoord komt, besluit hij om haar achterna te gaan. Ten slotte kwam hij vieren dat het door en door slechte hart van zijn schoonmoeder het die morgen na vijfenzestig jaar genadeloos getikt te hebben eindelijk begeven had. En dit is de mooiste viering die hij zich kan indenken. Zijn schoonmoeder draait zich om in haar kist. Net goed. Op handen en knieën kruipt hij achter het meisje aan. De idee van wat komen gaat wordt steeds aanlokkelijker. Tot hij iets aan zijn enkel voelt trekken.
“Wie daar?”
“Kan u uit die struik komen?”
Achterstevoren kruipt de man met de wijde jas opnieuw tussen de struiken uit.
“En u bent?”
Eigenlijk is het een domme vraag. De man die boven hem uit torent draagt groene rubberlaarzen, een verschoten rood vissershoedje en een vuilgele bodywarmer. Hij ziet eruit als een verkeerslicht. Dit had de man met de wijde jas kunnen verwachten. Die hengelaars komen hier immers niet om te vogelen. De man met de rubberlaarzen wijst naar het meisje, dat nog steeds tussen de struiken zit.
“Kom jij er ook maar uit. En ga naar huis. Moeder heeft viskes gebakken.”
De man met de veel te wijde jas heeft geen hond bij zich, wat het excuus is van het overgrote deel van de mensen dat je hier treft. Daarnaast heb je de sportievelingen, voor wie de weg langs het kanaal de uitgelezen mogelijkheid is om de benen te strekken. De overige verdwaalde zielen komen tussen de struiken langs de weg iets helemaal anders strekken. Maar hen kom je overdag niet vaak tegen. En al helemaal niet op een zondagnamiddag als deze, wanneer de kade steevast enkele fervente vissers herbergt. Die komen hier immers niet om te vogelen.
In welke groep deze man thuishoort, is niet meteen duidelijk. Hoewel zijn jas iets anders doet vermoeden, loopt hij fanatiek over het verharde pad langs het kanaal. Hij huppelt haast. Het geheel resulteert in een verbluffende contradictio in terminis. Op zijn uiterlijk afgaand zou je vermoeden dat hij een kettingroker is, of anders een alcoholist. Iemand die zijn leven verziekt heeft en niet goed weet hoe hij het weer op de rails kan krijgen. Niet als iemand die de energie bezit om over een pad te dansen.
Naast het paadje langs het kanaal zit een meisje. Een jonge vrouw. Ze kijkt bedrukt voor zich uit. Onder haar strakke kleding tekent zich een gezond lichaam af. Ook zij heeft noch een hond, noch een hengel bij zich. Bijgevolg is het evenmin duidelijk waarom zij hier zit.
Een paar meter van het meisje vandaan zit een man te vissen. Hij moet eind de vijftig zijn. Hij draagt groene rubberlaarzen en een verschoten rood vissershoedje. Zijn bodywarmer is vuilgeel. Hij ziet eruit als een verkeerslicht. Niet dat hij zich daar iets van aantrekt. Tot enkele jaren geleden zou hij in die kleren nooit ofte nimmer de deur uit zijn gegaan. Maar nu hij impotent is, doet het er allemaal niet meer toe. Niet dat hij zich met zijn lot verzoend heeft. Integendeel. Hij zou niets liever willen dan eens stevig van bil gaan. Maar aangezien dat niet meer lukt, wil hij er zo min mogelijk aan herinnerd worden. Daarom zit hij hier. Hier is het veilig.
De man met de wijde jas en de in een vroeger leven geklede beige broek dartelt de richting van de jonge vrouw uit. Door het op-en-neer gehos is zijn hoofd rood aangelopen. Het kettingroken mag, gezien het feit dat hij amper veertig seconden eerder beginnen huppelen is, toch niet volledig uitgesloten worden. Tegen de tijd dat hij het meisje bereikt, ziet hij eruit als een dronken tuinkabouter.
Het meisje kijkt hem geringschattend aan wanneer hij amper twee meter voor haar voeten bruusk halt houdt. Het zweet staat in druppels op zijn voorhoofd. Hij buigt voorover en gaat met de handen op de knieën staan uithijgen.
“Zo olijk?”
De man kijkt op. Van zijn gezicht valt niet af te lezen of hij haar al eerder had opgemerkt.
“Inderdaad.”
Hoewel hij klinkt alsof hij een rasp in zijn keelgat heeft zitten, weet hij het woord trots uit te spreken. Triomfantelijk bijna.
“Proficiat. Ga zo verder.”
Het is duidelijk een uitdaging. Alsof ook het meisje verwacht dat een halve minuut langer huppelen zijn dood zal betekenen.
“Alles op zijn tijd. Je mag gerust meedoen. Je ziet eruit alsof je het wel kan gebruiken.”
Een moment lang lijkt het alsof ze gekwetst is door zijn opmerking. Alsof zijn opgewekte rokerslongen het in haar ogen winnen van haar fitte, maar sombere lichaam.
“Huppel op.”
Zijn wenkbrauwen gaan een tikje omhoog.
“Ook goed.”
Het genoegen om zijn humeur te verpesten gunt hij haar niet. Hij maakt aanstalten om verder te huppelen.
“Nee, wacht.”
Op zijn hoede draait hij zich om. Dit heeft hij al eerder meegemaakt. Wispelturige vrouwen zijn vaak gevaarlijker dan manisch depressieve gijzelaars.
“Ja?”
Zij kijkt hem doordringend aan. Hij vindt dat vrouwen een vervelende manier hebben om anderen hun mening op te leggen. Maar dat neemt niet weg dat het bedroevend is dat een knappe verschijning als zij somber zit te wezen aan de oever van het kanaal. Net nu hij zo vrolijk is. Zij merkt op dat er onder de te wijde jas en de verschoten broek geen bierbuik zit.
“Ik weet wat.”
Terwijl ze hem nog steeds doordringend aankijkt, schuifelt ze op haar achterwerk de struiken in. Hij kan het niet bevatten.
“Misschien kom je daar beter terug uit,” probeert hij.
Zij vraagt zich af hoe een raspende kreun klinkt. Ze besluit dat ze erachter wil komen. Wanneer er geen antwoord komt, besluit hij om haar achterna te gaan. Ten slotte kwam hij vieren dat het door en door slechte hart van zijn schoonmoeder het die morgen na vijfenzestig jaar genadeloos getikt te hebben eindelijk begeven had. En dit is de mooiste viering die hij zich kan indenken. Zijn schoonmoeder draait zich om in haar kist. Net goed. Op handen en knieën kruipt hij achter het meisje aan. De idee van wat komen gaat wordt steeds aanlokkelijker. Tot hij iets aan zijn enkel voelt trekken.
“Wie daar?”
“Kan u uit die struik komen?”
Achterstevoren kruipt de man met de wijde jas opnieuw tussen de struiken uit.
“En u bent?”
Eigenlijk is het een domme vraag. De man die boven hem uit torent draagt groene rubberlaarzen, een verschoten rood vissershoedje en een vuilgele bodywarmer. Hij ziet eruit als een verkeerslicht. Dit had de man met de wijde jas kunnen verwachten. Die hengelaars komen hier immers niet om te vogelen. De man met de rubberlaarzen wijst naar het meisje, dat nog steeds tussen de struiken zit.
“Kom jij er ook maar uit. En ga naar huis. Moeder heeft viskes gebakken.”
zondag 18 januari 2009
Emotieloos
Uit de blik in je ogen had ik moeten opmaken wat er in je omging. Een blinde kon het zien. Maar omdat een aanval van acute emotieloosheid me voor de zoveelste keer in zijn greep hield, maakte ik er helemaal niets uit op. Behalve het feit dat je naar me keek, dan. En dat de wal onder je rechteroog donkerder was dan die onder je linker. Dat deelde ik je dan ook mee. Op het toontje dat ik zo goed van Jan Becaus heb afgekeken. Al zeg ik het zelf.
Soms heb ik echt respect voor de kalmte die je steeds opnieuw aan de dag weet te leggen. Ik zou het, achteraf gezien, wanneer ik weer normaal kan denken en voelen, namelijk volkomen begrijpen dat je antwoord op die volledig misplaatste mededeling zou hebben bestaan uit een goedgeplaatste rechtse. Maar in plaats daarvan haalde je voor zowat de vierduizendtweehondervijfenzestigste keer sinds je me kent diep en dapper adem en deelde je me rustig mee dat die wallen er steeds donkerder uit beginnen zien omdat ik je je slaap niet gun met mijn kuren en dat je rechteroog waarschijnlijk gevoeliger is dan je linker. En nog steeds drong het niet door. Eigenlijk zou je me die rechtse best wel mogen verkopen op zo’n moment. En als iemand je zijn linkerkaak biedt… Het komt erop neer dat ik, achteraf gezien, wanneer ik weer normaal kan denken en voelen, wel inzie dat mijn reactie weer niet correct was. Ik weet wel dat een glimlach een warme blik terug verdient en een traan een troostend woord. Dat weet ik allemaal wel. Ik weet alleen niet goed hoe ik die dingen in praktijk moet omzetten. Meestal heb ik pas door dat je verdrietig bent wanneer je na een tijd weer lacht. En sinds die ene keer, toen je opnieuw en nog harder dan eerst in gele snotter en zout vocht bent uitgebarsten, vraag ik eens je terug lacht nooit meer naar het waarom van je verdriet. Ook al heb ik daarom op die ene keer na nog nooit geweten wat je dwars zat. Het grootste deel van de tijd zit ik daar niet mee in en ben ik al lang blij dat je met een natte glimlach verklaart dat ik je als geen ander kan opbeuren. Dat betekent namelijk dat ik een verborgen talent heb. Iets waar ik op heldere emotionele momenten best trots op ben.
Maar toch heb ik soms het gevoel dat die rake rechtse niet onverdiend zou zijn. Al was het maar omdat mijn linkeroog dan even donker omrand zou zijn als het jouwe.
Soms heb ik echt respect voor de kalmte die je steeds opnieuw aan de dag weet te leggen. Ik zou het, achteraf gezien, wanneer ik weer normaal kan denken en voelen, namelijk volkomen begrijpen dat je antwoord op die volledig misplaatste mededeling zou hebben bestaan uit een goedgeplaatste rechtse. Maar in plaats daarvan haalde je voor zowat de vierduizendtweehondervijfenzestigste keer sinds je me kent diep en dapper adem en deelde je me rustig mee dat die wallen er steeds donkerder uit beginnen zien omdat ik je je slaap niet gun met mijn kuren en dat je rechteroog waarschijnlijk gevoeliger is dan je linker. En nog steeds drong het niet door. Eigenlijk zou je me die rechtse best wel mogen verkopen op zo’n moment. En als iemand je zijn linkerkaak biedt… Het komt erop neer dat ik, achteraf gezien, wanneer ik weer normaal kan denken en voelen, wel inzie dat mijn reactie weer niet correct was. Ik weet wel dat een glimlach een warme blik terug verdient en een traan een troostend woord. Dat weet ik allemaal wel. Ik weet alleen niet goed hoe ik die dingen in praktijk moet omzetten. Meestal heb ik pas door dat je verdrietig bent wanneer je na een tijd weer lacht. En sinds die ene keer, toen je opnieuw en nog harder dan eerst in gele snotter en zout vocht bent uitgebarsten, vraag ik eens je terug lacht nooit meer naar het waarom van je verdriet. Ook al heb ik daarom op die ene keer na nog nooit geweten wat je dwars zat. Het grootste deel van de tijd zit ik daar niet mee in en ben ik al lang blij dat je met een natte glimlach verklaart dat ik je als geen ander kan opbeuren. Dat betekent namelijk dat ik een verborgen talent heb. Iets waar ik op heldere emotionele momenten best trots op ben.
Maar toch heb ik soms het gevoel dat die rake rechtse niet onverdiend zou zijn. Al was het maar omdat mijn linkeroog dan even donker omrand zou zijn als het jouwe.
zaterdag 17 januari 2009
Tijd heelt (niet)
Een mens zou denken dat het met de tijd beter gaat. Want tijd zou alle wonden helen. Dat zegt met althans.
Wel, ik moet zeggen. Het is niet zo. Tijd heelt niet. Het doet enkel vergeten. Dat tijd zou helen, is een grove misvatting. Een zoethouder. “Geef het wat tijd, het betert heus wel.” Lulkoek. Het enige wat er na verloop van tijd gebeurt, is dat je vergeet hoe erg het was. Hoeveel verdriet je had. Hoe hard je gehuild hebt.
Toegegeven, vergeten kan ook deugd doen. De pijn slijt niet, je duwt ze enkel weg achter mooie herinneringen. Het geheugen is een lieve man. Of dat maken we ervan. Want tijd heelt niet. Dat zegt men enkel. Om te kunnen vergeten.
Wel, ik moet zeggen. Het is niet zo. Tijd heelt niet. Het doet enkel vergeten. Dat tijd zou helen, is een grove misvatting. Een zoethouder. “Geef het wat tijd, het betert heus wel.” Lulkoek. Het enige wat er na verloop van tijd gebeurt, is dat je vergeet hoe erg het was. Hoeveel verdriet je had. Hoe hard je gehuild hebt.
Toegegeven, vergeten kan ook deugd doen. De pijn slijt niet, je duwt ze enkel weg achter mooie herinneringen. Het geheugen is een lieve man. Of dat maken we ervan. Want tijd heelt niet. Dat zegt men enkel. Om te kunnen vergeten.
maandag 22 december 2008
De hik
De hik ontsnapt me op een onverwacht moment en blijft even boven de tafel hangen, om dan langs het raam naar buiten te vliegen. Het zevenjarige meisje op wie ik aan het babysitten ben, kijkt me van boven haar bord beschuldigend aan: “Ik ben wel aan het eten!” Totaal verbijsterd vergeet ik te antwoorden dat de klodder spuug die ze zonet nog over de tafel heen naar haar broer heeft gekatapulteerd mijn eetlust evenmin aanwakkert.
Kinderen zijn soms verbazend ad rem. Wanneer je het niet verwacht, halen ze je met behulp van een goedgeplaatste uppercut vliegensvlug onderuit. En omdat de waarheid uit een kindermond komt, ben je meestal zo van je melk dat het onmogelijk is om hen van antwoord te voorzien. De uitdagende grijns die ze je toewerpen wanneer ze beseffen dat ze gescoord hebben, is onuitstaanbaar. Je zou voor minder hysterisch gillend met je armen boven je hoofd rondjes beginnen lopen. Maar omdat dat des te meer zou benadrukken dat die kleine gewonnen heeft, hebben volwassenen er iets anders op gevonden. Ze trekken hun gezicht in de plooi, wat soms gepaard gaat met het omlaag schieten van de mondhoek(en), en zeggen iets in de trend van “Juist ja”, waarna ze zogenaamd onverstoorbaar verder gaan met wat ze bezig waren. Of ze zeggen helemaal niets en veinzen een plotselinge interesse voor het dichtstbijzijnde object, of dat nu een stofje of een olifant is. Enkele dappere exemplaren gaan de strijd aan door te trachten het euvel met humor te maskeren, maar meestal zijn ze genoodzaakt daarmee te stoppen wanneer het kind, dat zich aangemoedigd voelt door zoveel optimisme, euforisch gillend voet bij stuk houdt.
Het grootste deel van de tijd behoor ik tot de groep van de stofjes en de olifanten. En soms, wanneer ik in een goede bui ben, durf ik de confrontatie aangaan. Om uiteindelijk via bovenstaand scenario grandioos het onderspit te moeten delven. De sterkte van een kind zit hem in de onbezonnenheid. Politieke correctheid zal hen een worst wezen. Op die manier walsen ze je meestal rechttoe, rechtaan helemaal plat. Gelukkig bestaat er nog zo iets als gezag. Wanneer het echt gênant dreigt te worden, kan je het “onhandelbare ding” nog altijd in de hoek zetten om af te koelen. Dat zal ze leren!
Maar hoewel het lachen hen in die hoek uiteindelijk wel vergaat, hebben je eergevoel en je eigenwaarde - diep vanbinnen - de zoveelste flinke deuk gekregen.
Kinderen zijn soms verbazend ad rem. Wanneer je het niet verwacht, halen ze je met behulp van een goedgeplaatste uppercut vliegensvlug onderuit. En omdat de waarheid uit een kindermond komt, ben je meestal zo van je melk dat het onmogelijk is om hen van antwoord te voorzien. De uitdagende grijns die ze je toewerpen wanneer ze beseffen dat ze gescoord hebben, is onuitstaanbaar. Je zou voor minder hysterisch gillend met je armen boven je hoofd rondjes beginnen lopen. Maar omdat dat des te meer zou benadrukken dat die kleine gewonnen heeft, hebben volwassenen er iets anders op gevonden. Ze trekken hun gezicht in de plooi, wat soms gepaard gaat met het omlaag schieten van de mondhoek(en), en zeggen iets in de trend van “Juist ja”, waarna ze zogenaamd onverstoorbaar verder gaan met wat ze bezig waren. Of ze zeggen helemaal niets en veinzen een plotselinge interesse voor het dichtstbijzijnde object, of dat nu een stofje of een olifant is. Enkele dappere exemplaren gaan de strijd aan door te trachten het euvel met humor te maskeren, maar meestal zijn ze genoodzaakt daarmee te stoppen wanneer het kind, dat zich aangemoedigd voelt door zoveel optimisme, euforisch gillend voet bij stuk houdt.
Het grootste deel van de tijd behoor ik tot de groep van de stofjes en de olifanten. En soms, wanneer ik in een goede bui ben, durf ik de confrontatie aangaan. Om uiteindelijk via bovenstaand scenario grandioos het onderspit te moeten delven. De sterkte van een kind zit hem in de onbezonnenheid. Politieke correctheid zal hen een worst wezen. Op die manier walsen ze je meestal rechttoe, rechtaan helemaal plat. Gelukkig bestaat er nog zo iets als gezag. Wanneer het echt gênant dreigt te worden, kan je het “onhandelbare ding” nog altijd in de hoek zetten om af te koelen. Dat zal ze leren!
Maar hoewel het lachen hen in die hoek uiteindelijk wel vergaat, hebben je eergevoel en je eigenwaarde - diep vanbinnen - de zoveelste flinke deuk gekregen.
woensdag 17 december 2008
Raar
Weet je wat raar is? Dat je soms hetzelfde denkt als ik, maar toch anders. Alsof je het zaadje van mijn gedachten uit mijn hoofd hebt gestolen, maar het op een andere manier hebt laten kiemen. Zodat de stam en de takken van onze gedachten hetzelfde zijn, maar de blaadjes bij het ontkiemen niet dezelfde kleur blijken te hebben.
Weet je wat ook raar is? Dat ik soms niet weet in welke mate een bepaalde mening de mijne is. Alsof mijn mening gemeenschap gehad heeft met de jouwe. Waardoor ik me afvraag of ze in verwachting zou kunnen zijn van een mening die noch de jouwe, noch de mijne is en toch van ons beide is.
Weet je wat nog raarder is? Dat ik er niet altijd zeker van ben dat je niet in mijn hoofd zit en bijgevolg alles mee kan beleven. Want soms heb je die blik in je ogen, alsof je sommige dingen al weet. Terwijl je ze niet kan weten. Dat weet ik wel zeker.
En weet je wat het raarst is? Dat ik niet kan beslissen of dit alles raar of normaal is.
Weet je wat ook raar is? Dat ik soms niet weet in welke mate een bepaalde mening de mijne is. Alsof mijn mening gemeenschap gehad heeft met de jouwe. Waardoor ik me afvraag of ze in verwachting zou kunnen zijn van een mening die noch de jouwe, noch de mijne is en toch van ons beide is.
Weet je wat nog raarder is? Dat ik er niet altijd zeker van ben dat je niet in mijn hoofd zit en bijgevolg alles mee kan beleven. Want soms heb je die blik in je ogen, alsof je sommige dingen al weet. Terwijl je ze niet kan weten. Dat weet ik wel zeker.
En weet je wat het raarst is? Dat ik niet kan beslissen of dit alles raar of normaal is.
Metro
Het meisje stapte op en keek om zich heen met de taxerende blik van iemand die een zitplaats zoekt. Al gauw zag ze dat die er niet in zat. Dus vatte ze plaats naast een ietwat verward uitziende dertiger met een rond brilletje op zijn neus en een leren tas in zijn hand. In zijn andere hand hield hij wat papieren, waar zijn ogen een weg door zochten. Zijn benen stonden gespreid en zijn knieën waren licht gebogen, zodat hij de bewegingen die de metro maakte kon opvangen zonder zijn evenwicht te verliezen. Onwillekeurig onderdrukte ze een lach. Met de metro rijden was net een sport. Een uurtje metro per dag, en je bleef fit. Om te voorkomen dat de man zou denken dat ze hem stond uit te lachen, draaide ze haar hoofd de andere kant op. En toen zag ze hem.
Hij had donkerblond haar dat losjes tot net boven zijn oren viel, ogen die licht schenen te geven en brede schouders. En hij grijsde zijn perfecte gebit bloot terwijl hij haar in de ogen keek. Hij stond een drietal meter van haar vandaan, en het was duidelijk dat hij haar buurman best grappig vond. Dat ze eigenlijk niet de bedoeling had gehad de man uit te lachen, vergat ze op slag. Haar glimlach werd iets verlegener en ook zijn grijns werd gewoon vriendelijk. Nu het contact was gelegd, wist ze niet goed wat ze ermee aan moest. Dus draaide ze haar hoofd weer weg.
De metro had enkele stops gemaakt toen ze zich begon af te vragen of haar focus op de rechterkant van de wagon terwijl hij aan de linkerkant stond niet raar zou overkomen. Dus stelde ze zich wat losser op en liet haar hoofd de bewegingen van haar medepassagiers volgen. Ze had geluk. Eén van hen liep langs haar heen, Zijn kant uit. Ze achtervolgde de tiener met haar ogen, tot die Hem kruiste. Hun blikken haakten zich opnieuw in elkaar vast. Ze trok haar mondhoeken op naar een bijna onmerkbare glimlach, die hij enkel met zijn ogen beantwoordde. Maar die ogen… Ze voelde zich zwijmelen. Gelukkig werd de betovering verbroken door zijn GSM. Ze wist niet goed hoe ze zichzelf een houding moest geven onder zijn aandacht. Hij begon te praten en ze keek toe hoe een jonge moeder de buggy met haar zoontje in langs hem heen de wagon in manoeuvreerde. Eens ze binnen was, boog ze zich over haar zoontje heen om zijn jasje los te maken. Hoewel ze naar de handelingen van de jonge vrouw keek, voelde ze zijn blik op haar rusten. Maar ze moest zich focussen. Veel zou een derde onzekere glimlach niet meer bijdragen aan de spanning die in de lucht tussen hen in hing, integendeel. Ze kon hem dus beter niet nog eens aankijken. Haar hoofd opnieuw wegdraaien wilde ze echter niet, omdat het contact daarmee opnieuw volledig verbroken zou worden. Plots lachte hij hard om iets wat de beller zei. Ze keek op. Hij lachte haar breed toe en zij lachte bijna even breed terug, ook al wist ze dat ze niets te maken had met de reden waarom hij lachte. Ze keek naar het bord boven zijn hoofd. Nog drie haltes en ze moest uitstappen. Ze had er nog niet bij stilgestaan dat de metrorit en hun tijd samen elk moment kon eindigen. Ze wist helemaal niet waar hij zou uitstappen. Enkele seconden koesterde ze de hoop dat hij samen met haar uit de metro zou stappen en haar zou aanspreken, maar ze besefte dat de kans dat dat zou gebeuren klein was. Ze overliep de mogelijkheden die ze had, maar verwierp ze één voor één. Haar sjaal voor zijn voeten laten vallen lag er te dik op, tegen hem aanbotsen was te gênant en de gedachte dat ze hem zou aanspreken alleen al kneep haar keel dicht. Ze zou niet eens weten wat ze moest zeggen.
“Mérode” klonk de vrouwenstem door de luidsprekers. Shit! Ze moest eruit en wist nog altijd niet wat ze moest doen. Ze keek opnieuw zijn richting uit, in de hoop dat de paniek niet in haar ogen te lezen stond. Ze zag hem niet, tot ze begreep dat hij met zijn rug naar haar toe stond, zijn gezicht naar de deur gericht. Haar hart maakte opnieuw een sprong. Hij moest er ook uit! Toen ze zich naar de deur bewoog, leken haar benen van elastiek. Ze durfde niet naar de deur te lopen waar hij voor stond, dat zou te hard opvallen. Terwijl de metro vaart minderde, zag ze in haar linker ooghoek hoe hij zijn hoofd naar haar toe draaide en naar haar keek. Ze had amper kracht genoeg om de deuren te openen en was blij dat ze haar sjaal kon vasthouden, zodat ze het trillen van haar handen onder controle kon houden. Eenmaal op het perron wist ze niet goed waar heen. Eigenlijk moest ze zijn kant uit, maar ze durfde niet goed. Er botste iemand tegen haar aan. Ze moest beslissen. Ze draaide een kwartslag naar links en begon zijn kant uit te lopen. Hij liep opvallend traag. Ze versnelde haar pas lichtjes om de achterstand in te halen. Eindelijk liep ze naast hem. Ze paste haar snelheid opnieuw aan zodat ze hem niet voorbij zou razen en voelde haar hart in haar keel kloppen. Ze zag dat hij net als zij lichtjes het hoofd boog, om het tenslotte naar haar toe te draaien.
“Hallo.” Zijn stem klonk diep en warm. En ietwat onzeker, wat ze ontzettend schattig vond. Ook zij draaide haar hoofd.
“Hallo.” Ze glimlachten naar elkaar. Opnieuw liet hij zijn mooie stem klinken: “Ik ben –“
“Vervoersbewijs alstublieft?” Ze stopten abrupt. Het duurde enkele seconden voor ze doorhad dat ze op de tenen van de controleur stond. Helemaal in de war stapte ze er snel weer af en zocht ze haar portefeuille. Nog steeds met trillende handen hield ze haar abonnement omhoog. De man knikte kort.
“En jij, jongeman?”
“Ik euhm…”
“Ben het vergeten, zeker?” Ze keek Hem met licht open mond aan, niet in staat iets te zeggen. Ook hij zei niets en keek naar de grond.
“Zou u willen meekomen, dan?” De man nam Hem bij de arm en leidde hem naar een muur, waar enkele collega’s stonden te wachten. Terwijl hij wegliep keek Hij met een mengeling van spijt en schaamte in zijn mooie ogen naar haar om. Ze kende niet eens zijn naam.
Hij had donkerblond haar dat losjes tot net boven zijn oren viel, ogen die licht schenen te geven en brede schouders. En hij grijsde zijn perfecte gebit bloot terwijl hij haar in de ogen keek. Hij stond een drietal meter van haar vandaan, en het was duidelijk dat hij haar buurman best grappig vond. Dat ze eigenlijk niet de bedoeling had gehad de man uit te lachen, vergat ze op slag. Haar glimlach werd iets verlegener en ook zijn grijns werd gewoon vriendelijk. Nu het contact was gelegd, wist ze niet goed wat ze ermee aan moest. Dus draaide ze haar hoofd weer weg.
De metro had enkele stops gemaakt toen ze zich begon af te vragen of haar focus op de rechterkant van de wagon terwijl hij aan de linkerkant stond niet raar zou overkomen. Dus stelde ze zich wat losser op en liet haar hoofd de bewegingen van haar medepassagiers volgen. Ze had geluk. Eén van hen liep langs haar heen, Zijn kant uit. Ze achtervolgde de tiener met haar ogen, tot die Hem kruiste. Hun blikken haakten zich opnieuw in elkaar vast. Ze trok haar mondhoeken op naar een bijna onmerkbare glimlach, die hij enkel met zijn ogen beantwoordde. Maar die ogen… Ze voelde zich zwijmelen. Gelukkig werd de betovering verbroken door zijn GSM. Ze wist niet goed hoe ze zichzelf een houding moest geven onder zijn aandacht. Hij begon te praten en ze keek toe hoe een jonge moeder de buggy met haar zoontje in langs hem heen de wagon in manoeuvreerde. Eens ze binnen was, boog ze zich over haar zoontje heen om zijn jasje los te maken. Hoewel ze naar de handelingen van de jonge vrouw keek, voelde ze zijn blik op haar rusten. Maar ze moest zich focussen. Veel zou een derde onzekere glimlach niet meer bijdragen aan de spanning die in de lucht tussen hen in hing, integendeel. Ze kon hem dus beter niet nog eens aankijken. Haar hoofd opnieuw wegdraaien wilde ze echter niet, omdat het contact daarmee opnieuw volledig verbroken zou worden. Plots lachte hij hard om iets wat de beller zei. Ze keek op. Hij lachte haar breed toe en zij lachte bijna even breed terug, ook al wist ze dat ze niets te maken had met de reden waarom hij lachte. Ze keek naar het bord boven zijn hoofd. Nog drie haltes en ze moest uitstappen. Ze had er nog niet bij stilgestaan dat de metrorit en hun tijd samen elk moment kon eindigen. Ze wist helemaal niet waar hij zou uitstappen. Enkele seconden koesterde ze de hoop dat hij samen met haar uit de metro zou stappen en haar zou aanspreken, maar ze besefte dat de kans dat dat zou gebeuren klein was. Ze overliep de mogelijkheden die ze had, maar verwierp ze één voor één. Haar sjaal voor zijn voeten laten vallen lag er te dik op, tegen hem aanbotsen was te gênant en de gedachte dat ze hem zou aanspreken alleen al kneep haar keel dicht. Ze zou niet eens weten wat ze moest zeggen.
“Mérode” klonk de vrouwenstem door de luidsprekers. Shit! Ze moest eruit en wist nog altijd niet wat ze moest doen. Ze keek opnieuw zijn richting uit, in de hoop dat de paniek niet in haar ogen te lezen stond. Ze zag hem niet, tot ze begreep dat hij met zijn rug naar haar toe stond, zijn gezicht naar de deur gericht. Haar hart maakte opnieuw een sprong. Hij moest er ook uit! Toen ze zich naar de deur bewoog, leken haar benen van elastiek. Ze durfde niet naar de deur te lopen waar hij voor stond, dat zou te hard opvallen. Terwijl de metro vaart minderde, zag ze in haar linker ooghoek hoe hij zijn hoofd naar haar toe draaide en naar haar keek. Ze had amper kracht genoeg om de deuren te openen en was blij dat ze haar sjaal kon vasthouden, zodat ze het trillen van haar handen onder controle kon houden. Eenmaal op het perron wist ze niet goed waar heen. Eigenlijk moest ze zijn kant uit, maar ze durfde niet goed. Er botste iemand tegen haar aan. Ze moest beslissen. Ze draaide een kwartslag naar links en begon zijn kant uit te lopen. Hij liep opvallend traag. Ze versnelde haar pas lichtjes om de achterstand in te halen. Eindelijk liep ze naast hem. Ze paste haar snelheid opnieuw aan zodat ze hem niet voorbij zou razen en voelde haar hart in haar keel kloppen. Ze zag dat hij net als zij lichtjes het hoofd boog, om het tenslotte naar haar toe te draaien.
“Hallo.” Zijn stem klonk diep en warm. En ietwat onzeker, wat ze ontzettend schattig vond. Ook zij draaide haar hoofd.
“Hallo.” Ze glimlachten naar elkaar. Opnieuw liet hij zijn mooie stem klinken: “Ik ben –“
“Vervoersbewijs alstublieft?” Ze stopten abrupt. Het duurde enkele seconden voor ze doorhad dat ze op de tenen van de controleur stond. Helemaal in de war stapte ze er snel weer af en zocht ze haar portefeuille. Nog steeds met trillende handen hield ze haar abonnement omhoog. De man knikte kort.
“En jij, jongeman?”
“Ik euhm…”
“Ben het vergeten, zeker?” Ze keek Hem met licht open mond aan, niet in staat iets te zeggen. Ook hij zei niets en keek naar de grond.
“Zou u willen meekomen, dan?” De man nam Hem bij de arm en leidde hem naar een muur, waar enkele collega’s stonden te wachten. Terwijl hij wegliep keek Hij met een mengeling van spijt en schaamte in zijn mooie ogen naar haar om. Ze kende niet eens zijn naam.
dinsdag 16 december 2008
Soms
Soms,
soms lijkt het
alsof mijn hoofd uiteen zal spatten
als ik niet meteen een kus
op je lippen kan drukken.
Alsof het zonder niet langer
kan blijven bestaan.
Op zo’n momenten
ben ik leeg en vol tegelijk.
Leeg van mezelf en vol van jou.
Vol van jou en leeg vanbinnen
tot je lippen me opnieuw
vol leven blazen.
Dan ben ik weer vol
vol van mezelf
en vol van jou.
Maar als een kus niet lukt
omdat je niet bij me bent
weet ik al snel
dat niets is wat het lijkt.
Want mijn hoofd
heb ik nog steeds.
soms lijkt het
alsof mijn hoofd uiteen zal spatten
als ik niet meteen een kus
op je lippen kan drukken.
Alsof het zonder niet langer
kan blijven bestaan.
Op zo’n momenten
ben ik leeg en vol tegelijk.
Leeg van mezelf en vol van jou.
Vol van jou en leeg vanbinnen
tot je lippen me opnieuw
vol leven blazen.
Dan ben ik weer vol
vol van mezelf
en vol van jou.
Maar als een kus niet lukt
omdat je niet bij me bent
weet ik al snel
dat niets is wat het lijkt.
Want mijn hoofd
heb ik nog steeds.
zondag 23 november 2008
Mondelinge examens
Mondelinge examens. Ze moesten ze afschaffen. De bibber in je stem is moordend voor je zelfvertrouwen, de gezichtsuitdrukking van je prof spreekt boekdelen en het enige waar je nog aan kan denken is “Denk na. Denk godverdomme na.” Maar waarover je nu weer moest nadenken, is je volledig ontschoten.
Je stapt het kantoor binnen. Je “Dag professor” klinkt alsof je in geen weken je stem nog gebruikt hebt (wat ook wel het geval is) en je niet meer goed weet hoe je het volume en de toonhoogte moet regelen. Je gaat zitten. Als je geluk hebt, doe je dat op de voorbehouden stoel en niet op die van de assistent(e) van de prof. Als je pech hebt, word je op slag nog zenuwachtiger. En dan komt het, het moment van de waarheid. Je mag je vragen trekken. Je bezegelt je eigen lot. Je tekent voor je eigen roem of ondergang. Je handen trillen. Je neemt een kaartje bij de hoek vast en probeert het tussen de andere uit te trekken zonder de hele hoop uit Zijne Alwetendheids handen te trekken. Je draait het om en je ogen beginnen koortsachtig naar woorden, letters, begrippen te zoeken. Het duurt even voor je door hebt wat je vragen zijn. En nog iets later besef je dat je het antwoord op één van de vragen niet weet. En plots is alles weg. Volledige leegte. Een wit vlak, een vacuüm. Alles wat je de voorbije dagen met alle geweld in je hoofd hebt geramd, is weg. Geen inhoudstafel meer, geen opvulling. Je maag trekt samen en je komt in ademnood. Je voelt je hart in je keel kloppen en kan niet meer slikken. Je tong voelt aan als een lap leer en het zweet breekt je langs alle kanten uit. En plots herinner je je iets. En nog iets. Je begint weer te ademen en begint aan je voorbereiding.
“Doe maar, juffrouw.” De voorbereidingstijd is om. Je moet jezelf bewijzen. De klus klaren. De uitdaging aangaan. En dat terwijl je het antwoord op die ene vraag nog altijd niet helemaal weet. Shit! Je eerste vraag verloopt redelijk goed. Hij knikt althans. Over het antwoord op zijn bijvraag moet je even nadenken, maar je weet het uiteindelijk wel. Goed zo. Op naar de tweede. Met brede handgebaren en een algemene toelichting van de leerstof probeer je te verbergen dat je het eigenlijke antwoord schuldig moet blijven. Je gebruikt termen waarvan je je herinnert dat ze in de cursus voorkwamen, maar niet precies meer wat ze betekenden. En dan ben je uitgeluld. Je hebt alle randinformatie gegeven die wel een aanleiding tot het antwoord is, maar niet het antwoord zelf en bent volledig uitgepraat over het onderwerp. “En dus?” Shit. Hij heeft je door. Je handen beginnen te zweten. Je begint krampachtig te herformuleren wat je net gezegd hebt, in de hoop dat je nog iets te binnen zal schieten. Maar het mag niet baten. “Allemaal goed en wel, juffrouw, maar wat impliceert dat dan?” De tranen springen in je ogen. Dit kan gewoon niet waar zijn. Je probeert na te denken, maar je hersenen weigeren dienst. Je opent je mond, maar er komt niks uit. Je hoofd is leeg. Enkel het belachelijke liedje dat je van de inhoudstafel hebt gemaakt op de melodie van “De kabouterdans” kan je je herinneren. Je kan kiezen. Of begint te zingen om te bewijzen dat je wel degelijk weet waar de cursus over gaat, of je geeft forfait. Je steekt de witte vlag omhoog. Je geeft je gewonnen. Je kiest voor de meest eervolle oplossing. Je gaat je niet belachelijk maken. “Dat is alles wat ik erover weet.” Je probeert er nog verontschuldigend bij te glimlachen, maar zowel het feit dat je liefst zou beginnen grienen als een klein kind als de wetenschap dat hij zich die glimlach van jou zou kunnen herinneren omdat je hem telkens wanneer hij je in zijn les bestraffend aankeek wanneer je met je buurvrouw zat te praten gebruikt hebt, vegen hem van je gezicht. “Dat is dan spijtig.” Het enige wat je nog kan doen, is met opeen geknepen lippen knikken om te voorkomen dat je in zijn bijzijn begint te huilen, je biezen pakken en het lokaal uitlopen. Eenmaal buiten, beginnen op precies hetzelfde moment de tranen te lopen als het antwoord je te binnen schiet.
Je stapt het kantoor binnen. Je “Dag professor” klinkt alsof je in geen weken je stem nog gebruikt hebt (wat ook wel het geval is) en je niet meer goed weet hoe je het volume en de toonhoogte moet regelen. Je gaat zitten. Als je geluk hebt, doe je dat op de voorbehouden stoel en niet op die van de assistent(e) van de prof. Als je pech hebt, word je op slag nog zenuwachtiger. En dan komt het, het moment van de waarheid. Je mag je vragen trekken. Je bezegelt je eigen lot. Je tekent voor je eigen roem of ondergang. Je handen trillen. Je neemt een kaartje bij de hoek vast en probeert het tussen de andere uit te trekken zonder de hele hoop uit Zijne Alwetendheids handen te trekken. Je draait het om en je ogen beginnen koortsachtig naar woorden, letters, begrippen te zoeken. Het duurt even voor je door hebt wat je vragen zijn. En nog iets later besef je dat je het antwoord op één van de vragen niet weet. En plots is alles weg. Volledige leegte. Een wit vlak, een vacuüm. Alles wat je de voorbije dagen met alle geweld in je hoofd hebt geramd, is weg. Geen inhoudstafel meer, geen opvulling. Je maag trekt samen en je komt in ademnood. Je voelt je hart in je keel kloppen en kan niet meer slikken. Je tong voelt aan als een lap leer en het zweet breekt je langs alle kanten uit. En plots herinner je je iets. En nog iets. Je begint weer te ademen en begint aan je voorbereiding.
“Doe maar, juffrouw.” De voorbereidingstijd is om. Je moet jezelf bewijzen. De klus klaren. De uitdaging aangaan. En dat terwijl je het antwoord op die ene vraag nog altijd niet helemaal weet. Shit! Je eerste vraag verloopt redelijk goed. Hij knikt althans. Over het antwoord op zijn bijvraag moet je even nadenken, maar je weet het uiteindelijk wel. Goed zo. Op naar de tweede. Met brede handgebaren en een algemene toelichting van de leerstof probeer je te verbergen dat je het eigenlijke antwoord schuldig moet blijven. Je gebruikt termen waarvan je je herinnert dat ze in de cursus voorkwamen, maar niet precies meer wat ze betekenden. En dan ben je uitgeluld. Je hebt alle randinformatie gegeven die wel een aanleiding tot het antwoord is, maar niet het antwoord zelf en bent volledig uitgepraat over het onderwerp. “En dus?” Shit. Hij heeft je door. Je handen beginnen te zweten. Je begint krampachtig te herformuleren wat je net gezegd hebt, in de hoop dat je nog iets te binnen zal schieten. Maar het mag niet baten. “Allemaal goed en wel, juffrouw, maar wat impliceert dat dan?” De tranen springen in je ogen. Dit kan gewoon niet waar zijn. Je probeert na te denken, maar je hersenen weigeren dienst. Je opent je mond, maar er komt niks uit. Je hoofd is leeg. Enkel het belachelijke liedje dat je van de inhoudstafel hebt gemaakt op de melodie van “De kabouterdans” kan je je herinneren. Je kan kiezen. Of begint te zingen om te bewijzen dat je wel degelijk weet waar de cursus over gaat, of je geeft forfait. Je steekt de witte vlag omhoog. Je geeft je gewonnen. Je kiest voor de meest eervolle oplossing. Je gaat je niet belachelijk maken. “Dat is alles wat ik erover weet.” Je probeert er nog verontschuldigend bij te glimlachen, maar zowel het feit dat je liefst zou beginnen grienen als een klein kind als de wetenschap dat hij zich die glimlach van jou zou kunnen herinneren omdat je hem telkens wanneer hij je in zijn les bestraffend aankeek wanneer je met je buurvrouw zat te praten gebruikt hebt, vegen hem van je gezicht. “Dat is dan spijtig.” Het enige wat je nog kan doen, is met opeen geknepen lippen knikken om te voorkomen dat je in zijn bijzijn begint te huilen, je biezen pakken en het lokaal uitlopen. Eenmaal buiten, beginnen op precies hetzelfde moment de tranen te lopen als het antwoord je te binnen schiet.
Lichaamstaal
Iedereen zendt signalen uit zonder erbij na te denken. Maar misschien zouden we dat beter wel eens doen…
Lichaamstaal is iets heel vervelends. Het verraadt je diepste afkeer terwijl jij er net overtuigd van was dat die niet van je gezicht af te lezen viel. Met als gevolg dat, wanneer het plots toch interessant blijkt die achterlijke kwal tegen wie je al weken gemaakt vriendelijk doet achter de hand te hebben, hij je niet zal helpen. En dat terwijl jij steeds je vriendelijkste glimlach hebt bovengehaald. Maar je had je voeten, armen en handen over het hoofd gezien.
En er is meer. Veel meer. Het decor: een hedendaags café. De spelers: jij en je droomprins. De situatie: jullie eerste date. Jouw doel: hem subtiel duidelijk maken dat je hem het einde vindt, maar hier niet in overdrijven zodat je zijn jagersinstinct niet in de kiem smoort. Je denkt hierin te slagen en hoopt op een tweede date die, in tegenstelling tot de eerste, in een passionele kus zal eindigen. Zijn evaluatie van de situatie: hij raakt niet wijs uit de tegenstrijdige signalen die jij hem zendt en geeft de moed op een succesverhaal halverwege jullie gesprek op. Wat jij deed: je legde bij aankomst je haar goed en bevochtigde tijdens het hele gesprek je lippen, je trok je mouwen over je handen heen omdat je het koud had en je stak die onder tafel tussen je benen en om niet per ongeluk tegen zijn schenen te schoppen (de vernedering!), kruiste je je benen over elkaar en ging je schuin zitten zodat niet alleen je voeten maar je hele been van hem weg wezen. Wat jij fout deed: je maakte hem langs de ene kant duidelijk dat je meer wilde, maar wees hem tegelijkertijd radicaal de deur. Het EQ van sommige mannen situeert zich misschien in de buurt van het nulpunt, maar stom zijn ze nu ook weer niet. Iemand die zijn leven lief heeft, haalt het niet in zijn hoofd je na die date nog te kussen.
Voor de goede verstaander: met één beweging kan je je kansen op je droomprins, je droomjob of slagen op je mondeling examen verspelen. Of alle drie. Gooi je geloof in het lot bij deze definitief overboord: je leven en al wat zich daarin afspeelt ligt volledig in je eigen handen. Nuchter bekeken vormt een spontane armbeweging op een sollicitatiegesprek een grotere levensbedreiging dan het te voet oversteken van de E40 ter hoogte van Gent. Over een deprimerende gedachte gesproken. Universiteiten zouden verplichte cursussen lichaamstaal moeten inlassen. Kwestie van professionele en persoonlijke misstappen tot een minimum te beperken. Ze zouden de wereld er alvast een grotere gunst mee bewijzen dan met een onbegrijpelijke maar verplichte cursus filosofie. Al was het maar omdat hun studenten de date met de man van hun dromen wél met een kus zouden kunnen afsluiten.
Lichaamstaal is iets heel vervelends. Het verraadt je diepste afkeer terwijl jij er net overtuigd van was dat die niet van je gezicht af te lezen viel. Met als gevolg dat, wanneer het plots toch interessant blijkt die achterlijke kwal tegen wie je al weken gemaakt vriendelijk doet achter de hand te hebben, hij je niet zal helpen. En dat terwijl jij steeds je vriendelijkste glimlach hebt bovengehaald. Maar je had je voeten, armen en handen over het hoofd gezien.
En er is meer. Veel meer. Het decor: een hedendaags café. De spelers: jij en je droomprins. De situatie: jullie eerste date. Jouw doel: hem subtiel duidelijk maken dat je hem het einde vindt, maar hier niet in overdrijven zodat je zijn jagersinstinct niet in de kiem smoort. Je denkt hierin te slagen en hoopt op een tweede date die, in tegenstelling tot de eerste, in een passionele kus zal eindigen. Zijn evaluatie van de situatie: hij raakt niet wijs uit de tegenstrijdige signalen die jij hem zendt en geeft de moed op een succesverhaal halverwege jullie gesprek op. Wat jij deed: je legde bij aankomst je haar goed en bevochtigde tijdens het hele gesprek je lippen, je trok je mouwen over je handen heen omdat je het koud had en je stak die onder tafel tussen je benen en om niet per ongeluk tegen zijn schenen te schoppen (de vernedering!), kruiste je je benen over elkaar en ging je schuin zitten zodat niet alleen je voeten maar je hele been van hem weg wezen. Wat jij fout deed: je maakte hem langs de ene kant duidelijk dat je meer wilde, maar wees hem tegelijkertijd radicaal de deur. Het EQ van sommige mannen situeert zich misschien in de buurt van het nulpunt, maar stom zijn ze nu ook weer niet. Iemand die zijn leven lief heeft, haalt het niet in zijn hoofd je na die date nog te kussen.
Voor de goede verstaander: met één beweging kan je je kansen op je droomprins, je droomjob of slagen op je mondeling examen verspelen. Of alle drie. Gooi je geloof in het lot bij deze definitief overboord: je leven en al wat zich daarin afspeelt ligt volledig in je eigen handen. Nuchter bekeken vormt een spontane armbeweging op een sollicitatiegesprek een grotere levensbedreiging dan het te voet oversteken van de E40 ter hoogte van Gent. Over een deprimerende gedachte gesproken. Universiteiten zouden verplichte cursussen lichaamstaal moeten inlassen. Kwestie van professionele en persoonlijke misstappen tot een minimum te beperken. Ze zouden de wereld er alvast een grotere gunst mee bewijzen dan met een onbegrijpelijke maar verplichte cursus filosofie. Al was het maar omdat hun studenten de date met de man van hun dromen wél met een kus zouden kunnen afsluiten.
Scheef taalgebruik
Eens te meer heb ik beseft dat ik van mijn puberaal taalgebruik af moet. Hoe grappig het soms ook moge klinken en hoe bevorderlijk het ook voor de gemoedelijkheid van het gesprek moge wezen.
Toegegeven, het waren leuke tijden, de puberjaren waarin ik zonder schaamte woorden uit mijn nek kon slaan en mocht vloeken zonder ervoor nagekeken te worden. Ik heb er vrienden mee gemaakt. En vijanden. Wat er ook van zij, het maakte deel uit van de identiteit die je als puber zo nauw aan het hart ligt.
Helaas ben ik inmiddels al een tijd geen puber meer en merk ik dat mijn onaangepaste taalgebruik sommige personen tegen de borst begint te stoten. Zeer hinderlijk in aangelegenheden binnen het kader van een universiteitscarrière. Uitermate ongepast zelfs. Gelukkig ben ik, in tegenstelling tot sommige van mijn lotgenoten, redelijk goed in het aanvoelen van situaties. Op die manier vermijd ik de fout er als een boerendochter het eerste het beste uit te flappen. (Waarmee ik niet bedoel dat boerendochters per definitie boers zijn, maar ik weiger mezelf te omschrijven als boertig. Boerendochter ligt dus mooi in het midden en verwoordt precies wat ik bedoel: boertig met allure.) Zo zal ik tijdens een gesprek met een prof altijd mijn woorden afwegen vooraleer ik ze uitspreek, verloopt een sollicitatiegesprek in de u-vorm en krijgen overheidsambtenaren ondanks alles nog steeds het voordeel van de twijfel. Ik mijnheer en mevrouw wanneer dat gepast is. Zo ben ik opgevoed. Problematisch wordt het pas wanneer de sfeer wat gemoedelijker wordt. Ik heb namelijk nog geen tussenmodus ontwikkeld. Het is u-wen en beleefd knikken of gij-en en gesticuleren dat het een lieve lust is. En ik vrees dat de kloof tussen die twee uitersten net iets te groot is. Degene die me toelaat hem te tutoyeren, zou hier wel eens spijt van kunnen krijgen.
Ik kan me de situatie al levendig inbeelden. Ik bevind me op amper een jaar verder dan waar ik nu sta en ga nog steeds met dezelfde mensen om als nu. Mensen die niet opkijken van taalgebruik dat met momenten hoe vettiger, hoe prettiger is en een goedgeplaatste vloek wel weten te waarderen. Langs de andere kant kom ik in aanraking met mensen die serieus met hun beroep bezig zijn en die zich niet in dezelfde leeftijdscategorie bevinden als ik. Die hun wilde jaren ontgroeid zijn en met respect behandeld willen worden. Respect dat ik hen de eerste dagen en zelfs weken zal geven door braaf te u-wen, vergezeld van een bravemeisjesknik. Zo gaat het immers altijd wanneer ik me in een situatie denk te bevinden waar ik me hoor te gedragen. Wie respect wil moet er eerst kunnen geven, iets van die strekking. Dus ik geef. Tot op het moment waarop ik niet langer “mevrouw Vandenbossche”, maar “Marleen” mag zeggen. Dan is het hek van de dam. De eerste keren zijn onwennig, maar het duurt niet lang of ik raak eraan gewend. Precies op dat moment treed ik de gevarenzone binnen. Voor ik het goed en wel besef, flap ik er een ongepastheid uit. Die blijft als bevroren in de lucht hangen en er is geen enkele manier meer om hem terug te ontdooien. De schaterlach die het betreffende woord meer dan eens bij leeftijdsgenoten heeft ontlokt, is in de verste verte niet te bespeuren. Het onwennige schaamtegevoel dat daarop volgt, wil ik kost wat kost vermijden. En daar is maar één middel toe: mijn taalgebruik aanpassen. Indien niet heb ik het vlaggen, ben ik gejost, heb ik een probleem, quoi.
Toegegeven, het waren leuke tijden, de puberjaren waarin ik zonder schaamte woorden uit mijn nek kon slaan en mocht vloeken zonder ervoor nagekeken te worden. Ik heb er vrienden mee gemaakt. En vijanden. Wat er ook van zij, het maakte deel uit van de identiteit die je als puber zo nauw aan het hart ligt.
Helaas ben ik inmiddels al een tijd geen puber meer en merk ik dat mijn onaangepaste taalgebruik sommige personen tegen de borst begint te stoten. Zeer hinderlijk in aangelegenheden binnen het kader van een universiteitscarrière. Uitermate ongepast zelfs. Gelukkig ben ik, in tegenstelling tot sommige van mijn lotgenoten, redelijk goed in het aanvoelen van situaties. Op die manier vermijd ik de fout er als een boerendochter het eerste het beste uit te flappen. (Waarmee ik niet bedoel dat boerendochters per definitie boers zijn, maar ik weiger mezelf te omschrijven als boertig. Boerendochter ligt dus mooi in het midden en verwoordt precies wat ik bedoel: boertig met allure.) Zo zal ik tijdens een gesprek met een prof altijd mijn woorden afwegen vooraleer ik ze uitspreek, verloopt een sollicitatiegesprek in de u-vorm en krijgen overheidsambtenaren ondanks alles nog steeds het voordeel van de twijfel. Ik mijnheer en mevrouw wanneer dat gepast is. Zo ben ik opgevoed. Problematisch wordt het pas wanneer de sfeer wat gemoedelijker wordt. Ik heb namelijk nog geen tussenmodus ontwikkeld. Het is u-wen en beleefd knikken of gij-en en gesticuleren dat het een lieve lust is. En ik vrees dat de kloof tussen die twee uitersten net iets te groot is. Degene die me toelaat hem te tutoyeren, zou hier wel eens spijt van kunnen krijgen.
Ik kan me de situatie al levendig inbeelden. Ik bevind me op amper een jaar verder dan waar ik nu sta en ga nog steeds met dezelfde mensen om als nu. Mensen die niet opkijken van taalgebruik dat met momenten hoe vettiger, hoe prettiger is en een goedgeplaatste vloek wel weten te waarderen. Langs de andere kant kom ik in aanraking met mensen die serieus met hun beroep bezig zijn en die zich niet in dezelfde leeftijdscategorie bevinden als ik. Die hun wilde jaren ontgroeid zijn en met respect behandeld willen worden. Respect dat ik hen de eerste dagen en zelfs weken zal geven door braaf te u-wen, vergezeld van een bravemeisjesknik. Zo gaat het immers altijd wanneer ik me in een situatie denk te bevinden waar ik me hoor te gedragen. Wie respect wil moet er eerst kunnen geven, iets van die strekking. Dus ik geef. Tot op het moment waarop ik niet langer “mevrouw Vandenbossche”, maar “Marleen” mag zeggen. Dan is het hek van de dam. De eerste keren zijn onwennig, maar het duurt niet lang of ik raak eraan gewend. Precies op dat moment treed ik de gevarenzone binnen. Voor ik het goed en wel besef, flap ik er een ongepastheid uit. Die blijft als bevroren in de lucht hangen en er is geen enkele manier meer om hem terug te ontdooien. De schaterlach die het betreffende woord meer dan eens bij leeftijdsgenoten heeft ontlokt, is in de verste verte niet te bespeuren. Het onwennige schaamtegevoel dat daarop volgt, wil ik kost wat kost vermijden. En daar is maar één middel toe: mijn taalgebruik aanpassen. Indien niet heb ik het vlaggen, ben ik gejost, heb ik een probleem, quoi.
Abonneren op:
Posts (Atom)

