Het Paradijs is het vervolg op De schepping, opnieuw een kinderboek op muziek dat ook voor volwassenen een boodschap heeft. Hoe diep die boodschap gaat, hangt van de lezer af. In het beste (of net het slechtste?) geval word je helemaal van je sokken geblazen.
De zondeval
Het verhaal achter het Paradijs is u ongetwijfeld bekend. Een naakte man en vrouw, een slang, een appel. En natuurlijk het Paradijs is al zijn glorie. In Moeyaerts versie moet je even zoeken naar deze elementen. Adam en Eva zijn gemakkelijk te herkennen, maar het Paradijs lijkt een op hol geslagen oerwoud en de slang en appel zijn nergens te bespeuren. Dat lijkt de zaken er gemakkelijker op te maken, maar niets is minder waar. Eva mist immers het één en ander. Die vrouwen toch.
Adam begrijpt niet wat Eva mist; ze heeft alles. Hij bewerkt de aarde voor haar, vermijdt dat het Paradijs begint te woekeren. Dat Eva net niet wil dat alles gecontroleerd wordt en ze het leven wil (laten) leven, ziet hij niet in. Ze wil alles: het leven en de dood. Net dat is de erfzonde; verlangen naar de dood terwijl je in het Paradijs leeft, hoort niet.
Troubles in paradise
In het begin waren Adam en Eva gelukkig. Ze waren letterlijk en figuurlijk nooit alleen. Het duurt echter niet lang, of ze beginnen uit elkaar te groeien. Je merkt aan alles dat Eva niet gelukkig is; ze zucht en steunt terwijl hij het haar naar haar zin probeert te maken. Ze slaapt niet goed meer. De situatie gaat van kwaad naar erger, tot Adam uiteindelijk toegeeft; ze zullen de natuur laten voor wat hij is. De vrouwelijke lange tenen moeten zich niet aangesproken voelen; het is niet de bedoeling van de schrijver de vrouwelijke onredelijkheid, dan wel de kern van een relatie in de verf te zetten. Want ook al lees je het verhaal slechts oppervlakkig, je kan er niet omheen dat een relatie niet staande houdt zonder wederzijds begrip.
Aarde aan God
Ook al wijkt het verhaal vanaf de eerste regel al sterk af van de gekende geschriften (die hoop en al maar enkele alineas lang zijn), toch is het een verrassing dat God volledig afwezig is in dit boek. Wie het niet weet, of verkiest het te negeren, leest dus gemakkelijk over het feit dat Het Paradijs over het scheppingsverhaal gaat. Het kan net zo goed om een modern, naakt avontuur gaan. Moeyaert is er opnieuw als geen ander in geslaagd universele en fundamenteel menselijke gevoelens zo simplistisch op papier te zetten dat je hoe dan ook verdwaasd achterblijft.
Tussen de regels
Moeyaerts kenmerkende stijl, waarin de eigenlijke inhoud tussen en niet in de regels staat, zegeviert eens te meer in dit verhaal dat slechts op het eerste zicht kinderlijk eenvoudig is. Het bewijs hiervoor ligt in de reeds verschenen recensies. Iedereen lijkt er een andere lezing en betekenis op na te houden. Wie de ware betekenis van het verhaal en de sobere maar daarom niet sombere tekeningen van Erlbruch wilt begrijpen, doet er goed aan de bijhorende cd te beluisteren. Hierop staan de muziek van het Nederlands Blazers Ensemble en de voordracht van het verhaal door Bart Moeyaert zelf. Hoewel je een somber timbre van de muziek en de stem verwacht, is het tegendeel waar: beide zijn onmiskenbaar vrolijk. Dat is wat mij betreft dan ook de moraal van dit oeroude verhaal.
Interview met Bart Moeyaert
Recensie Mama Tandoori
Posts tonen met het label random. Alle posts tonen
Posts tonen met het label random. Alle posts tonen
maandag 1 november 2010
zondag 3 oktober 2010
Appelflauwte

De wereld ziet er grappig uit vanaf de grond. Alles lijkt belachelijk hoog. Een archiefkast lijkt een wolkenkrabber, een stoel een boom. Hangbuiken en –borsten nemen nog onflatterender proporties aan, neuzen lijken meters lang. Tegelijk is het uitzicht sereen. Elk stofje op de vloer heeft zijn verhaal, elke beweging krijgt een andere dimensie. Ik zou het liefst mijn gezicht tegen de tegels drukken en voor altijd zo blijven liggen. Helaas gaat dat niet als je in het kantoor van je baas ligt.
Van op mijn plekje, tussen een gifgroene fatboy en het bureau, zie ik drie paar schoenen. Die van mijn baas (Le Coq Sportif), die van zijn secretaresse (Prada) en die van de grootste roddeltante van het bedrijf (pijlsnelle met lage hakken). Ze staan in een half cirkeltje om me heen, alsof ze nog aan het beslissen zijn of ze me zouden rechttrekken of gewoon zouden laten liggen. De Prada’s en ballerina’s lijken voor de laatste optie te willen gaan. Ballerina wilt het nieuws – hoogstwaarschijnlijk getiteld ‘Veerle per ongeluk zwanger’ of ‘Veerle aan de drank’ – zo snel mogelijk kunnen rondbazuinen, Prada is erbij geroepen maar heeft geen zin in gedoe.
Uiteindelijk neemt mijn baas – o gêne – me onder mijn oksels vast en kwakt hij me in de gifgroene fatboy met de woorden “rust maar een beetje”. Prada trippelt tevreden weg en ballerina huppelt achter haar aan. Daar lig ik dan. In het kantoor van mijn baas. Van de baas van mijn baas om precies te zijn. In een gifgroene fatboy waar ik onder geen beding elegant uit recht geraak, ook als mijn hoofd niet vol mist zou zitten. Erg elegant ben ik sowieso niet. Een olifant op naaldhakken is er niets bij. Ik doe dus maar gewoon mijn ogen dicht.
Wanneer ik ze terug open doe, staan de baas van mijn baas en zijn secretaresse opnieuw naast me. Ook vanuit deze positie zien ze er niet bepaald knap uit. Helaas ik heb zonder twijfel geen recht van spreken. Wanneer ik neerlig zie ik eruit als een in elkaar gezakte pudding. Terwijl ik de ernst van de situatie probeer in te schatten – hoeveel kinnen zien ze vanuit hun positie precies? – spreekt mijn hogergeplaatste het gevreesde zinnetje uit: “We gaan je eens rechtzetten he.” Waarna ze met twee naar mij gaan staan kijken. Hoewel ik nog geen half uur geleden van mijn stokken ben gedraaid wegens een bloeddrukval, voel ik het bloed nu in sneltempo naar mijn hoofd stijgen. Tijdens mijn slaap ben ik helemaal weggezakt in de ligzak. Ben ik de fatboy geworden, zeg maar. Ik heb dan ook geen idee hoe ik in godsnaam terug op mijn benen moet geraken. Alsof ik op het punt sta een atletisch record te breken blijven ze doodstil staan terwijl ik vruchteloze pogingen onderneem om mijn gewicht op mijn voeten te krijgen. Na zo’n veertien mislukkingen en een beetje pipi in mijn broek van de inspanning grabbelt Le Coq Sportif me zonder waarschuwing vast en tilt me in één beweging uit het gedrocht. Waarna ik van pure gêne opnieuw door mijn benen zak.
De wereld ziet er grappig uit vanaf de grond. Alles lijkt belachelijk hoog. Tegelijk is het uitzicht sereen. Van op mijn plekje zie ik wel acht paar schoenen. Die van de baas van mijn baas, zijn secretaresse, de grootste roddeltante van het bedrijf, drie van mijn directe collega’s, die er intussen van overtuigd zijn dat ik zwanger ben, mijn baas en de kuisvrouw. Ze staan in een cirkel om me heen, alsof ze nog aan het beslissen zijn of ze me zouden rechttrekken of gewoon zouden laten liggen. Dus doe ik nog even mijn ogen dicht om te genieten van de rust van de tegels.
maandag 26 juli 2010
Badminton

Ik had me voorgenomen om te gaan sporten. Een beetje beweging kan nooit kwaad, zeker niet als je dagelijks minstens 200 gram chocolade naar binnen speelt. Het was dus onmogelijk om het voorstel van enkele collega’s om te gaan badmintonnen nog langer onbeantwoord te laten.
Daar stond ik dan, met een zilverkleurige DKNY-sporttas in mijn hand, op van de zenuwen. Ik kan namelijk niet badmintonnen. Ik kan ook niet voetballen, basketballen, volleyballen, hockeyen, baseballen, tennissen of golfen, maar dat deed niet ter zake. Ik was hier om te badmintonnen. Dat ik een wandelend rampgebied ben met ballen van alle groottes en vormen, sticks, rackets en netten moest niet geweten zijn, maar dat ik niet overweg kan met een pluimpje en het voor mij fysiek onmogelijk is om binnen de lijnen van een veld te blijven zou ik niet lang kunnen verstoppen. Helaas hadden de collega’s mijn waarschuwing opgevat als een verplicht bescheidenheidsnummertje en mijn bezwaren al lachend weggewuifd. Ook achter die façade kon ik me dus niet verschuilen.
Eenmaal op het veld giechelde ik de eerste vijf keer dat ik het pluimpje faliekant miste verontschuldigend. Had ik niet op een sportterrein gestaan, men zou denken dat ik zwaar aangeschoten was. Was dat maar zo, dan hoefde ik elke vernederende misser niet te beleven tot in de punten van mijn tenen. Na de vijfde mislukking deed ik er wijselijk het zwijgen toe. Kwestie van de situatie niet nodeloos nog pijnlijker te maken dan ze al was. Gelukkig was het dubbelspel. Kon ik mijn compagnon het meeste werk laten doen.
Na een half uur begon echter ook dat op te vallen. Terwijl de andere drie nat in het zweet hijgend van het net naar de achterlijn liepen, zag ik er waarschijnlijk uit alsof ik aan een fotoshoot over sportscholen meedeed. Ik was zelfs nog niet begínnen zweten. Tijd om in actie te komen, dus. Voor ik het wist, liep ik molenwiekend van links naar rechts over het terrein. Want dat is nog zo iets: elegant sporten is niet aan mij besteed. Mijn gebrek aan ruimtelijk inzicht heeft daar alles mee te maken. Om een vliegend object te kunnen raken heb ik al mijn concentratie nodig. Aandacht die dus niet meer naar mijn gezichtsspieren kan gaan. Al sportend kan ik dan ook zonder probleem doorgaan voor een geestelijk gehandicapte. De manier waarop het object in kwestie raakt waar het zijn moet doet er evenmin toe. Ik ben allang doodgelukkig als het daar daadwerkelijk geraakt. In het geval van badminton betekent dat dat ik eruit zie als een op hol geslagen stoommachine; waar de meeste mensen vanuit de pols spelen, speel ik vanuit mijn ellebogen, schouders, heupen en knieën en waar de meeste mensen iets zwaarder ademen, hijg, puf en stoom ik.
Op het eind van het sportuurtje kon ik trots zeggen dat ik het pluimpje welgeteld 34 keer geraakt had, waarvan het 17 keer aan de andere kant van het net eindigde. Toch betwijfel ik of mijn persoonlijk record een tweede uitnodiging voor het wekelijkse sportmoment zal leiden. Niet dat het uitmaakt; ik vermijd liever dat de mensen waar ik dag in dag uit mee moet samenwerken denken dat ik geestelijk niet in orde ben.
zondag 25 juli 2010
Absurde Gentse Feestenconversatie
“Die griet keek naar mij”
“Die met haar … ?”
“Ja.”
“Zonder twijfel.”
“Ze keek naar mij en ze wilt mij.”
[honend]“Wie zou je niet willen.”
[serieus]“Jij.”
[nog steeds honend]“Welke vrouw zou je niet willen.”
[nog steeds serieus]“Feit.”
[ze staren allebei zwijgend naar het meisje met de …]
[trots]“Ze heeft naar mij geknipoogd. Zag je dat?”
[nog steeds honend] “Nee, dat zag ik niet.”
[verongelijkt]“Wat? Kan dat niet misschien?”
“Moest je minder zat zijn en je broek niet open staan, misschien.”
“Ze heeft naar mij geknipoogd. Ik zou het zweren als ik niet zo zat was.”
[sussend]“Zonder twijfel.”
“Die met haar … ?”
“Ja.”
“Zonder twijfel.”
“Ze keek naar mij en ze wilt mij.”
[honend]“Wie zou je niet willen.”
[serieus]“Jij.”
[nog steeds honend]“Welke vrouw zou je niet willen.”
[nog steeds serieus]“Feit.”
[ze staren allebei zwijgend naar het meisje met de …]
[trots]“Ze heeft naar mij geknipoogd. Zag je dat?”
[nog steeds honend] “Nee, dat zag ik niet.”
[verongelijkt]“Wat? Kan dat niet misschien?”
“Moest je minder zat zijn en je broek niet open staan, misschien.”
“Ze heeft naar mij geknipoogd. Ik zou het zweren als ik niet zo zat was.”
[sussend]“Zonder twijfel.”
woensdag 23 juni 2010
Doe-het-zelven

Wij zijn een familie van doe-het-zelvers. Heb ik nooit anders geweten. Kast in mekaar zetten, grasmat leggen, konijnenhok bouwen, plamuren, snoeien, schilderen, planten, doe je toch gewoon zelf? Wat je zelf doet, doe je beter. Gesprekken op familiebijeenkomsten gaan steevast over de nieuwste kast van de Ikea waar een moer in ontbreekt maar die – o wonder – toch perfect recht staat, ruzies over wie het stappenplan voor de bouw-uw-eigen-huppeldepup met het oud papier heeft meegegeven.
Mijn persoonlijke palmares is veeleer beperkt. De eerste en meteen ook laatste stoel die ik in mekaar vees bezorgde mijn oma net geen gebroken heup en mijn eigengemaakte koekjes zien eruit als bergjes kruimel met chocolade erdoor. Lekker, maar niet om aan te zien. Het enige wat ik goed kan, is haar verven. En dan nog. De sessies eindigen steevast met vlekken die niet meer uit het badkamertapijt gaan, ondergespatte spiegels en een rij wachtenden voor de badkamerdeur die tot aan het tuinhuis komt. Waarachter ze uiteindelijk uit pure wanhoop hun broek laten zakken, “Want ze komt er het eerste uur toch niet uit.”
Klopt ook. Anders dan bij het in elkaar vijzen van meubilair en het scheren van heggen, is de timing bij haar verven heel belangrijk. Het product er enkele minuten te lang laten opzitten kan betekenen dat je eindigt met een kop als een seinlicht. Weet ik helaas uit ervaring. Je zal dan ook altijd zien dat net wanneer je je haar moet uitspoelen iemand “Echt heel dringend” naar de wc moet en het tuinhuis al bezet is. Het zal hen zelfgedraaide worst wezen dat ik eruit zie als Pipi Langkous.
Ik ben er nog niet uit of ik een man wil die doe-het-zelft, of net helemaal niet. Alles heeft zijn voordeel – zo ook mijn linkerhanden. Die compenseer ik namelijk ruimschoots met mijn organisatorisch inzicht en vermogen tot commanderen. Of hoe het belangrijker is om je zwakke punten te kennen dan daadwerkelijk alles (denken) te kunnen. Zuig daar maar eens een puntje aan, nonkel Floris!
zondag 6 juni 2010
Mensen kijken
De leukste bezigheid op het openbaar vervoer is mensen kijken. Kan ik uren mee bezig zijn. Handig als je dagelijks enkele uren op treinen moet wachten.
Eén dag was ik terug uit het buitenland, of mijn trein werd afgeschaft. De gezichten die mensen bij die aankondiging trekken hou je niet voor mogelijk. Zelf rol ik zo hard met mijn ogen dat ze hoogstwaarschijnlijk ooit eens aan de binnenkant van mijn hoofd zullen blijven steken. Daarna pauzeer ik mijn gefoeter even om de reacties rondom mij te bekijken. Van wilde gebaren in de richting van het aankondigingbord en/of luidspreker tot “Ik ga te laat zijn voor het eten want die godverdomse kut…” en zo verder. En dan gaan ze zitten mokken op een bankje. Toegegeven, ik zit als eerste op dat bankje, GSM en scheldwoorden in de aanslag, dus ik heb eigenlijk geen recht van spreken. Toch is het hele schouwspel zo grappig dat ik eigenlijk een bedankbrief naar de Belgische Spoorlijnen zou moeten schrijven. Maar omdat ze daar de verkeerde conclusies uit zouden kunnen trekken, doe ik dat maar niet.
Wanneer het desbetreffende vervoermiddel op tijd is, is levens verzinnen een leuke. Leeftijden raden heb ik lang geleden opgegeven. Ergens tussen “Wilt u zitten mevrouw? Zo oud ben ik niet hoor, dank je. Oh. [verbaasde blik] Ik ben amper zesenveertig! Oooh. [ontdane blik]” en “Mag ik misschien zitten, juffrouw? Zo oud bent u toch niet? Ik ben al vierenzeventig! Ooh. [exit scene]” Met levens verzinnen kan het bijna niet misgaan. Gênant wordt het wel als je de persoon ik kwestie zo interessant hebt gemaakt – rijke advocaat, single, perfect gebit, zacht van inborst, beest in bed – dat je jezelf moet bedwingen om niet met hem of haar te gaan praten. Smoor worden op je eigen verzinsels, daar kan je geloof ik voor opgesloten worden. Die richting wil je niet uit met je leven. Heb ik die advocaat horen denken.
Soms vraag ik me af wat mensen verzinnen als ze mij zien op de trein. Twintig, single, studente handelingenieur, beest in bed (verkeerd)? Zevenentwintig, gescheiden, secretaresse, schichtige muis (verkeerd)? Begin de twintig, slaapdronken maar niet te moe om in haar vuistje te lachen om de dingen om zich heen, deinst er niet voor terug in het openbaar eens duchtig te vloeken maar daarnaast goed van inborst, verder geen commentaar (bingo)?
Eén dag was ik terug uit het buitenland, of mijn trein werd afgeschaft. De gezichten die mensen bij die aankondiging trekken hou je niet voor mogelijk. Zelf rol ik zo hard met mijn ogen dat ze hoogstwaarschijnlijk ooit eens aan de binnenkant van mijn hoofd zullen blijven steken. Daarna pauzeer ik mijn gefoeter even om de reacties rondom mij te bekijken. Van wilde gebaren in de richting van het aankondigingbord en/of luidspreker tot “Ik ga te laat zijn voor het eten want die godverdomse kut…” en zo verder. En dan gaan ze zitten mokken op een bankje. Toegegeven, ik zit als eerste op dat bankje, GSM en scheldwoorden in de aanslag, dus ik heb eigenlijk geen recht van spreken. Toch is het hele schouwspel zo grappig dat ik eigenlijk een bedankbrief naar de Belgische Spoorlijnen zou moeten schrijven. Maar omdat ze daar de verkeerde conclusies uit zouden kunnen trekken, doe ik dat maar niet.
Wanneer het desbetreffende vervoermiddel op tijd is, is levens verzinnen een leuke. Leeftijden raden heb ik lang geleden opgegeven. Ergens tussen “Wilt u zitten mevrouw? Zo oud ben ik niet hoor, dank je. Oh. [verbaasde blik] Ik ben amper zesenveertig! Oooh. [ontdane blik]” en “Mag ik misschien zitten, juffrouw? Zo oud bent u toch niet? Ik ben al vierenzeventig! Ooh. [exit scene]” Met levens verzinnen kan het bijna niet misgaan. Gênant wordt het wel als je de persoon ik kwestie zo interessant hebt gemaakt – rijke advocaat, single, perfect gebit, zacht van inborst, beest in bed – dat je jezelf moet bedwingen om niet met hem of haar te gaan praten. Smoor worden op je eigen verzinsels, daar kan je geloof ik voor opgesloten worden. Die richting wil je niet uit met je leven. Heb ik die advocaat horen denken.
Soms vraag ik me af wat mensen verzinnen als ze mij zien op de trein. Twintig, single, studente handelingenieur, beest in bed (verkeerd)? Zevenentwintig, gescheiden, secretaresse, schichtige muis (verkeerd)? Begin de twintig, slaapdronken maar niet te moe om in haar vuistje te lachen om de dingen om zich heen, deinst er niet voor terug in het openbaar eens duchtig te vloeken maar daarnaast goed van inborst, verder geen commentaar (bingo)?
zaterdag 17 april 2010
Okselvijver
Het is lente. De temperaturen stijgen langzaamaan. Met mijn gezicht naar de zon gekeerd zit ik als een legkip achter het treinraam – de warmte opslurpend, dom glimlachend gelukkig te wezen met de eerste zonnestralen. Tot een fors gebouwde dame hijgend en puffend naast me neerzakt. “Hetisongelofelijkwarmbuitehhhhh.”
Die ongelooflijk is relatief. Het is warmer dan de acht graden die we de voorbije maanden gewoon zijn geworden, dat klopt. Mag ook wel. Ik begon zo stilaan te denken dat de Opwarming Van De Aarde de grootste propagandatruc in de geschiedenis was. Maar om, nu het kwik eindelijk enkele graden klimt, te beweren dat het ongelooflijk warm is, is een stap te ver.
Wanneer ik haar geringschattend wil aankijken om haar duidelijk te maken dat ze overdrijft (iemand moest het doen, ze ruïneerde het gelukzalige moment voor ons allemaal), doet ze met een brede zwier van haar arm haar sjaal uit. En daar is ie dan, de eerste okselvijver van het voorjaar. Voor ik goed en wel besef dat ik onder haar arm zit te staren, naar de vlek ter grote van de Kempense meren, bereikt de geur me. Ik draai mijn gezicht in een ruk van haar weg en druk het in een wanhopige ontsnappingspoging tegen het raam, maar het mag niet baten. En nu heb ik ook nog eens een kolonie bacteriën op mijn rechterkaak kleven. Omdat het toch al te laat is (eens die bacteriën er zitten, gaan ze toch niet meer weg), hou ik die houding aan tot mijn nek pijn begint te doen.
Ik geef toe, tijdens de lente en de zomer draaien ook mijn zweetklieren dubbele shiften en verdriedubbelt mijn deodorantgebruik. Ik ben als de dood voor plekken en geurtjes en bekijk en besnuffel mezelf bijgevolg voortdurend. Mijn onzekere “Stink ik?” heeft ongetwijfeld al menig oor bereikt. Maar liever dat dan de mensen om me heen te vergassen of met mijn armen lopen zwaaien terwijl daar een kanjer van een donkere plek onder zit.
De vrouw is zich echter van geen kwaad bewust – integendeel. Met haar Dag Allemaal waait ze de geur in concentraties die de volksgezondheid in gevaar kunnen brengen mijn richting uit. Met naar beneden krullende mondhoeken (kan ik niks aan doen, als ik iets vies ruik trekt mijn mond automatisch in een grimas) kijk ik wanhopig naar de man voor me. Het duurt even voor ik doorheb dat hij geen rare tic nerveux heeft, maar me duidelijk probeert te maken dat ik door mijn mond moet ademen. Wat ik de dertien minuten die mijn rit nog duurt dan ook doe.
In het station aangekomen haast ik me de trap op. Ik zwaai naar het meisje dat op me staat te wachten en reik haar mijn wang voor een kus. Die niet komt. Ik draai mijn hoofd een slag opzij, zodat ik kan kijken wat er scheelt. Met omlaag krullende mondhoeken (kan ze niks aan doen, haar mond trekt automatisch in een grimas als ze iets vies ziet) kijkt ze naar mijn rechterkaak: “Wat heb jij nu op je kaak plakken? Heb je met je kop tegen de ruit geslapen? Je weet toch dat dat hartstikke vies is?”
Die ongelooflijk is relatief. Het is warmer dan de acht graden die we de voorbije maanden gewoon zijn geworden, dat klopt. Mag ook wel. Ik begon zo stilaan te denken dat de Opwarming Van De Aarde de grootste propagandatruc in de geschiedenis was. Maar om, nu het kwik eindelijk enkele graden klimt, te beweren dat het ongelooflijk warm is, is een stap te ver.
Wanneer ik haar geringschattend wil aankijken om haar duidelijk te maken dat ze overdrijft (iemand moest het doen, ze ruïneerde het gelukzalige moment voor ons allemaal), doet ze met een brede zwier van haar arm haar sjaal uit. En daar is ie dan, de eerste okselvijver van het voorjaar. Voor ik goed en wel besef dat ik onder haar arm zit te staren, naar de vlek ter grote van de Kempense meren, bereikt de geur me. Ik draai mijn gezicht in een ruk van haar weg en druk het in een wanhopige ontsnappingspoging tegen het raam, maar het mag niet baten. En nu heb ik ook nog eens een kolonie bacteriën op mijn rechterkaak kleven. Omdat het toch al te laat is (eens die bacteriën er zitten, gaan ze toch niet meer weg), hou ik die houding aan tot mijn nek pijn begint te doen.
Ik geef toe, tijdens de lente en de zomer draaien ook mijn zweetklieren dubbele shiften en verdriedubbelt mijn deodorantgebruik. Ik ben als de dood voor plekken en geurtjes en bekijk en besnuffel mezelf bijgevolg voortdurend. Mijn onzekere “Stink ik?” heeft ongetwijfeld al menig oor bereikt. Maar liever dat dan de mensen om me heen te vergassen of met mijn armen lopen zwaaien terwijl daar een kanjer van een donkere plek onder zit.
De vrouw is zich echter van geen kwaad bewust – integendeel. Met haar Dag Allemaal waait ze de geur in concentraties die de volksgezondheid in gevaar kunnen brengen mijn richting uit. Met naar beneden krullende mondhoeken (kan ik niks aan doen, als ik iets vies ruik trekt mijn mond automatisch in een grimas) kijk ik wanhopig naar de man voor me. Het duurt even voor ik doorheb dat hij geen rare tic nerveux heeft, maar me duidelijk probeert te maken dat ik door mijn mond moet ademen. Wat ik de dertien minuten die mijn rit nog duurt dan ook doe.
In het station aangekomen haast ik me de trap op. Ik zwaai naar het meisje dat op me staat te wachten en reik haar mijn wang voor een kus. Die niet komt. Ik draai mijn hoofd een slag opzij, zodat ik kan kijken wat er scheelt. Met omlaag krullende mondhoeken (kan ze niks aan doen, haar mond trekt automatisch in een grimas als ze iets vies ziet) kijkt ze naar mijn rechterkaak: “Wat heb jij nu op je kaak plakken? Heb je met je kop tegen de ruit geslapen? Je weet toch dat dat hartstikke vies is?”
maandag 12 april 2010
Recensie Mama Tandoori

Bij ons is hij amper bekend, in Nederland een begrip. Ernest Roelof Arend van der Kwast, ook bekend als Yusef el Halal of Sieger Sloot, beschikt naast een klinkende reeks voornamen en het talent voor het verzinnen van goed bekkende pseudoniemen over een razend vlotte pen. Hij sleurt je mee vanaf de eerste zin en hoewel Mama Tandoori geen pointe heeft (hij ramt de meelijwekkende werkelijkheid van zijn jonge leven pagina na pagina door je strot), verveelt zijn levensverhaal geen moment.
What happens in Bombay, obviously doesn’t stay in Bombay
Ernest van der Kwast werd in 1981 geboren in Bombay. Zijn moeder is van Indiase afkomst, zijn vader is een Nederlander. Ernest en zijn twee oudere broers groeien op in Nederland, waar hij tegen wil en dank in de atletiek-, padvinders- en jongenskoorwereld wordt gegooid. Wanneer hij op school in aanraking komt met toneel, gaat zijn schrijfcarrière van start. Hij schrijft toneelstukken en kortverhalen, wordt hoofdredacteur van een literair tijdschrift, organiseert literaire podia en schrijfwedstrijden, geeft boeken uit onder pseudoniemen en werpt tussendoor met discussen, een gewoonte die sinds de atletiekvereniging is blijven hangen. Met Mama Tandoori schreef Ernest zijn vierde boek. Niet het vierde onder die naam, wel het vierde als gebundeld papier, gepubliceerd door een bekende uitgever.
Familie met een hoek af
Moeder van der Kwast is het prototype voor de Indiase vrouw. Althans, zo wordt ze afgeschilderd. Gezien onze beperkte ervaring met Indiase vrouwen, moeten wij blindelings op deze inschatting van de schrijver vertrouwen. Feit is dat het mens in één woord onmogelijk is. Indiase aard of niet.
Laat me, om misverstanden als “dat is zo één die elke andere vrouw afkraakt” te vermijden, toe de situatie even te schetsen. De moeder des huizes heeft steeds een deegroller bij de hand, waarmee ze met de losse pols in het rond zwaait, en leeft volgens het motto “gratis is goed”, wat betekent dat ze kilo’s kattenvoer inslaat omdat het een aanbieding was hoewel ze geen kat hebben en de blikjes dan maar uitdeelt als verjaardags-, huwelijks- en andere geschenken. Verder heeft ze een hekel aan haar volledige schoonfamilie, die ze zonder verpinken allerlei zaken (tot de keuken van de dementerende overgrootmoeder toe) afhandig maakt, en bezorgt ze zowel haar makelaars als haar portier een depressie. Je zou erbij gaan huilen als de schrijver er zelf niet om zou lachen. Meer dan eens (om precies te zijn, om de tweeënhalve bladzijde) voel je een diepe steek van medelijden voor alle mensen uit haar omgeving. En je zou haar haten als haar tragedie niet zo tastbaar zou zijn. Haar oudste zoon, haar eerstgeborene, haar trots, is geestelijk gehandicapt en daar zal ze nooit aan wennen. In de zorg voor Ashirwad en haar twee andere zonen zie je haar goedheid, wat het onmogelijk maakt haar te haten.
Ook de andere familieleden ontkomen niet aan een diepgaande analyse van hun levensloop. Zonder gêne vertelt van der Kwast over Uncle Sharma, tante Jasleen en oom Herbert, die stuk voor stuk haast even excentriek zijn als zijn eigen moeder. En even tragisch. Hij doet dit in hoofdstukken die elkaar chronologisch volledig overlappen zonder de lezer te verliezen in het tijdskluwen. De rode draad (of was het de rode peper?) is dan ook niet de tijdslijn, maar de onvervulde verlangens, de wrok en de zoektocht naar het geluk van al deze personages. Geluk dat geen van hen tot nog toe vond.
Combinatie zonder gelijke
Waar andere schrijvers blijven steken in óf het lachwekkende óf het tragische beschrijft van der Kwast zijn familie op een manier die beide combineert. De lach is nooit ver verwijderd van de frons – tranen hebben we ondanks het dubbele gevoel waarmee we achterbleven niet gelaten. Het boek is alles tegelijk: hilarisch, ontroerend, onbesuisd, scherpzinnig. En het beste: zonder dat het opvalt. Zonder dat de schrijver lijkt te zeggen: hier wil ik grappig zijn, hier moet je huilen. Hij is de Nederlandse Dimitri Verhulst, maar dan empathischer en minder marginaal wat de keuze van zijn onderwerp(en) betreft.
Recensie Het Paradijs van Bart Moeyaert
woensdag 17 februari 2010
Mooie Blogger

Meloentje, zoals verschillende blogsters haar intussen kennen, heeft me genomineerd voor de Beautiful Blogger Award. Bedankt, meid!
Deze award gaat gepaard met een aantal regels:
1. Thank the blogger who has nominate you for this award.
2. Put the award on your blog.
3. Give the link of the person's blog who has given you this award.
4. Share 7 interesting facts about yourself.
5. Nominate 7 other people for the Beautiful Blogger Award.
En wie ben ik om de regels niet te respecteren!
Zeven (7!) interessante dingen vertellen over mezelf, dat is een hele mond vol. Hier gaan we: Ik...
... zie er 's morgens slechter uit dan de gemiddelde West-Europese vrouw
... ben verslaafd aan chocolade
... ben allergisch aan alles wat een pels heeft, inclusief mijn konijn Truffel
... ben desondanks helemaal gek op dat beest
... lees graag bekende en geapprecieerde schrijvers
... maar moet toegeven dat ik ook verknocht ben aan chicklit
... wat me geïnspireerd heeft om een eigen boek te schrijven over het lief en leed van het achtienjarig meisje dat ik geweest ben. Over haar liefdesverdriet, problemen met het andere geslacht, dagelijkse beslommeringen inzake dat laatste onderwerp en de conclusie dat ze misschien beter non kan worden. Met de inspirerende titel "Misschien moet ik non worden".
Mijn genomineerden zijn:
Design to impress (voor de geweldige layout van mijn blog)
The Fabulous Life of Suusje Q
Unwritten
Dream on
Secrets don't make friends
Forever Sunset
Interrupted Rainbow
Allen daarheen!
zondag 7 februari 2010
De tandarts
Toen ik vijf was stond er in mijn liedjesboekje een gedicht over de tandarts. Om ons ervan te overtuigen dat die niet eng is en ons geen pijn zou doen. Ik moet zeggen, het heeft nul komma nul effect gehad.
De erbarmelijke kwaliteit van mijn tandglazuur en al wat eronder zit heeft zonder twijfel veel met mijn angst te maken. Alles waar ook maar enigszins in geboord kan worden, werd al onder handen genomen. Ik ben waarschijnlijk maar één ingreep meer verwijderd van problemen met de metaaldetector op de luchthaven. “Uurwerk, juffrouw? Riem? Enkel geld? Tepelpiercing?” “Euh nee, tanden.” En dat op je tweeëntwintigste. Op die leeftijd maak je meer kans in de liefde met herpes genitalis tussen je benen dan met zware metalen in je mond.
Waar andere mensen op paarden wedden en met de Lotto spelen, zet ik al mijn hoop op mijn tanden. Tussen de tandartsbezoeken door poets, flos, spoel en pruts ik alsof mijn leven ervan afhangt. Wat in zekere zin ook wel zo is. Mijn jaarlijkse afspraak maak ik met een fluisterstem, waarna ik nachtenlang de slaap niet kan vatten. Wanneer ik dan eindelijk de praktijk binnenstap en in de stoel mag gaan liggen, klopt mijn hart aan honderdveertig per minuut en knijp ik mijn billen ononderbroken samen.
En dan komen ze. De grapjes die ontspannend bedoeld zijn. Andere mensen trappen er misschien met open mond (nog zo’n flauwe) in, ik ben te gespannen om zelfs maar te reageren. Zo stijf als een plank lig ik te wachten op een pijnscheut, klaar om mijn hand op te steken als teken dat hij moet stoppen met wat hij in godsnaam aan het doen is. Tandsteen beweert hij, “Niks ernstigs”. Ammehoela! Waarom doet het pijn dan?
Aan die hoela mag hij anders gerust eens komen. Want er is (toch nog) één voordeel aan mijn tandarts: hij is best knap. Dat is meteen de belangrijkste reden om me er elk jaar opnieuw heen te slepen en de pijn te ver-jawel-bijten. Het heeft wel iets om troost te zoeken in zijn ogen wanneer de pijn te hevig wordt en het plafond geen steun meer biedt. Ook al komen daar negen op de tien keer tranen bij kijken en vindt hij me naar alle waarschijnlijkheid een overgevoelige trees.
De erbarmelijke kwaliteit van mijn tandglazuur en al wat eronder zit heeft zonder twijfel veel met mijn angst te maken. Alles waar ook maar enigszins in geboord kan worden, werd al onder handen genomen. Ik ben waarschijnlijk maar één ingreep meer verwijderd van problemen met de metaaldetector op de luchthaven. “Uurwerk, juffrouw? Riem? Enkel geld? Tepelpiercing?” “Euh nee, tanden.” En dat op je tweeëntwintigste. Op die leeftijd maak je meer kans in de liefde met herpes genitalis tussen je benen dan met zware metalen in je mond.
Waar andere mensen op paarden wedden en met de Lotto spelen, zet ik al mijn hoop op mijn tanden. Tussen de tandartsbezoeken door poets, flos, spoel en pruts ik alsof mijn leven ervan afhangt. Wat in zekere zin ook wel zo is. Mijn jaarlijkse afspraak maak ik met een fluisterstem, waarna ik nachtenlang de slaap niet kan vatten. Wanneer ik dan eindelijk de praktijk binnenstap en in de stoel mag gaan liggen, klopt mijn hart aan honderdveertig per minuut en knijp ik mijn billen ononderbroken samen.
En dan komen ze. De grapjes die ontspannend bedoeld zijn. Andere mensen trappen er misschien met open mond (nog zo’n flauwe) in, ik ben te gespannen om zelfs maar te reageren. Zo stijf als een plank lig ik te wachten op een pijnscheut, klaar om mijn hand op te steken als teken dat hij moet stoppen met wat hij in godsnaam aan het doen is. Tandsteen beweert hij, “Niks ernstigs”. Ammehoela! Waarom doet het pijn dan?
Aan die hoela mag hij anders gerust eens komen. Want er is (toch nog) één voordeel aan mijn tandarts: hij is best knap. Dat is meteen de belangrijkste reden om me er elk jaar opnieuw heen te slepen en de pijn te ver-jawel-bijten. Het heeft wel iets om troost te zoeken in zijn ogen wanneer de pijn te hevig wordt en het plafond geen steun meer biedt. Ook al komen daar negen op de tien keer tranen bij kijken en vindt hij me naar alle waarschijnlijkheid een overgevoelige trees.
vrijdag 1 januari 2010
2010
Gelukkig nieuwjaar! Hopelijk hebben jullie van de overgang gebruikt gemaakt om
- Die knappe(rd) eindelijk om jullie (zatte) vinger te winden
- De bloemetjes buiten te zetten en ze terug binnen te halen voor ze doodvroren
- Honderden goede voornemens te maken waar je er vandaag minstens al de helft opnieuw overboord gooit. Minder chocolade eten, hoe kwam je er ook op?
- Jezelf een propere lei te gunnen en vandaag fris opnieuw te beginnen aan 365 dagen om dat ding weer helemaal te bekladden
Ik wens jullie in ieder geval al het beste toe voor 2010!
- Die knappe(rd) eindelijk om jullie (zatte) vinger te winden
- De bloemetjes buiten te zetten en ze terug binnen te halen voor ze doodvroren
- Honderden goede voornemens te maken waar je er vandaag minstens al de helft opnieuw overboord gooit. Minder chocolade eten, hoe kwam je er ook op?
- Jezelf een propere lei te gunnen en vandaag fris opnieuw te beginnen aan 365 dagen om dat ding weer helemaal te bekladden
Ik wens jullie in ieder geval al het beste toe voor 2010!
vrijdag 18 december 2009
De stadsbus
Het speelde zich af op een mooie herfstdag. Zo’n dag met blauwe lucht, fluitende vogels, heerlijk ruikende bladeren en lachende mensen overal waar je kijkt. Nietsvermoedend stapte ik op een stadsbus, die optrok en wegreed nog voor ik een stoel onder mijn kont had kunnen schuiven. Omdat ik goedgezind was, nam ik genoegen met de gedachte dat ik nog geen tachtig jaar oogde en de chauffeur er zodoende vast van uitging dat ik best opgewassen was tegen wat schokken en stoten. Tel daarbij op dat een schokkerig ritje van een kwartier in een bus of tram net zo goed is voor je buik- en bekkenbodemspieren als zo’n honderd sit-ups, en je begrijpt waarom ik me met elke schok beter, afgetrainder en sexier voelde. De rode kop als gevolg van al het samentrekken en ontspannen down there negeerde ik voor het gemak even.
Na een kwartiertje voelden de spieren in mijn onderbuik echter aan als staalkabels die elk moment konden doorknappen, dus besloot ik om het fitnessmoment van de dag voor gezien te houden en toch maar te gaan zitten. Helaas waren luttele seconden voor mijn beslissing enkele vrouwen opgestapt wiens leeftijd wel degelijk rond de tachtig jaar schommelde. Zij kregen dus voorrang. Nadat ze volgens het principe van the survival of the fittest plaats hadden genomen (de kreupelste van het gezelschap helemaal vooraan, twee wandelstokken iets verderop en de olijkste dame lipstickglimlachend naast een grijze man die zo’n tien jaar jonger was dan zij) bleef er niet veel keus meer over.
Het werd een afvalrace tussen een Chinees die zo voor worstelkampioen kon gaan, een oude dame die al even veel lippenstift aanhad als haar leeftijdsgenote maar niet glimlachte en bovendien een klein vies hondje op haar schoot had en een meisje met pinnen over en door haar hele lichaam. Omdat het onbeleefd is om te staren en overduidelijk de voors en tegens van iemands gezelschap te staan afwegen, hakte ik zonder verder na te denken de knoop door en koos ik voor de Chinees. Een beslissing waar ik na amper een halve minuut spijt van had. Niet alleen bleef er amper plaats over voor slechts één van mijn twee billen, bij stonk bovendien geweldig naar zweet. Opnieuw opstaan behoorde echter niet tot de mogelijkheden aangezien ik van een bruusk remmanoeuvre gebruik had moeten maken om mijn ene bil tussen hem en de armleuning te persen en ik me onmogelijk op eigen kracht omhoog kon hijsen. Dus bleef ik noodgedwongen waar ik was, ook toen hij lichtjes op en neer deinend pompompomgeluiden begon te maken.
Zo’n drie haltes later voelde mijn rechterbil aan alsof hij helemaal pimpelpaars zag, terwijl mijn linkerbil ergens in het ijle zweefde. Te oordelen aan mijn gezichtsveld hing ik in een hoek van 45 graden in mijn stoel en moest het voor de andere passagiers lijken alsof ik Ling – zo had ik hem gedoopt – een lapdance probeerde te geven. Gruwelend van het idee alleen al probeerde ik me opnieuw uit de stoel te wringen. Maar omdat ik Ling – jongste van 5, verwend tot en met maar nooit serieus genomen – niet wilde kwetsen, staakte ik al snel mijn poging. De bloedtoevoer naar mijn rechterbil werd blijkbaar afgesneden, dus ik zou de pijnlijke druk al gauw niet meer voelen. Zo (mijn rechterbeen met afsterven bedreigd, mijn linkerbil intussen tegen een zachte massa aangevleid en mijn hoofd halverwege het gangpad) hield ik het tien minuten vol. De onoplettende puber die knal tegen mijn hoofd liep probeerde ik te negeren.
Toen kwam het moment waarop ik moest uitstappen. Helaas was ik net als mijn rechterbeen even ingedommeld en kreeg ik pas vijftig meter voor mijn eindhalte in de gaten dat ik eruit moest. Met mijn rechterarm deed ik een grabbel naar de paal voor me zodat ik me uit het zitje kon hijsen, terwijl ik met mijn andere hand mijn sjaal rond mijn nek probeerde te zwaaien. Daarbij vergat ik dat mijn boordevolle handtas aan diezelfde arm hing, waardoor ik Ling een rake rechtse verkocht. Van de schrik wipte deze even omhoog, zodat er ruimte vrij kwam tussen mijn kont en zijn been. Jammergenoeg betekende dat gezien het feit dat mijn rechterarm nog steeds verwoed aan de paal hing te trekken een dubbele opwaartse kracht en werd ik uit mijn stoel gekatapulteerd. Het mag een wonder heten dat mijn scherpe geest nog net voor ik tegen de grond smakte de mogelijkheid zag om op het belletje te drukken. Met een rode kop kroop ik op handen en voeten de bus uit, Lings ogen in mijn rug gebrand.
Moraal van het verhaal: steek je kont niet zonder nadenken tussen andermans zaken.
Na een kwartiertje voelden de spieren in mijn onderbuik echter aan als staalkabels die elk moment konden doorknappen, dus besloot ik om het fitnessmoment van de dag voor gezien te houden en toch maar te gaan zitten. Helaas waren luttele seconden voor mijn beslissing enkele vrouwen opgestapt wiens leeftijd wel degelijk rond de tachtig jaar schommelde. Zij kregen dus voorrang. Nadat ze volgens het principe van the survival of the fittest plaats hadden genomen (de kreupelste van het gezelschap helemaal vooraan, twee wandelstokken iets verderop en de olijkste dame lipstickglimlachend naast een grijze man die zo’n tien jaar jonger was dan zij) bleef er niet veel keus meer over.
Het werd een afvalrace tussen een Chinees die zo voor worstelkampioen kon gaan, een oude dame die al even veel lippenstift aanhad als haar leeftijdsgenote maar niet glimlachte en bovendien een klein vies hondje op haar schoot had en een meisje met pinnen over en door haar hele lichaam. Omdat het onbeleefd is om te staren en overduidelijk de voors en tegens van iemands gezelschap te staan afwegen, hakte ik zonder verder na te denken de knoop door en koos ik voor de Chinees. Een beslissing waar ik na amper een halve minuut spijt van had. Niet alleen bleef er amper plaats over voor slechts één van mijn twee billen, bij stonk bovendien geweldig naar zweet. Opnieuw opstaan behoorde echter niet tot de mogelijkheden aangezien ik van een bruusk remmanoeuvre gebruik had moeten maken om mijn ene bil tussen hem en de armleuning te persen en ik me onmogelijk op eigen kracht omhoog kon hijsen. Dus bleef ik noodgedwongen waar ik was, ook toen hij lichtjes op en neer deinend pompompomgeluiden begon te maken.
Zo’n drie haltes later voelde mijn rechterbil aan alsof hij helemaal pimpelpaars zag, terwijl mijn linkerbil ergens in het ijle zweefde. Te oordelen aan mijn gezichtsveld hing ik in een hoek van 45 graden in mijn stoel en moest het voor de andere passagiers lijken alsof ik Ling – zo had ik hem gedoopt – een lapdance probeerde te geven. Gruwelend van het idee alleen al probeerde ik me opnieuw uit de stoel te wringen. Maar omdat ik Ling – jongste van 5, verwend tot en met maar nooit serieus genomen – niet wilde kwetsen, staakte ik al snel mijn poging. De bloedtoevoer naar mijn rechterbil werd blijkbaar afgesneden, dus ik zou de pijnlijke druk al gauw niet meer voelen. Zo (mijn rechterbeen met afsterven bedreigd, mijn linkerbil intussen tegen een zachte massa aangevleid en mijn hoofd halverwege het gangpad) hield ik het tien minuten vol. De onoplettende puber die knal tegen mijn hoofd liep probeerde ik te negeren.
Toen kwam het moment waarop ik moest uitstappen. Helaas was ik net als mijn rechterbeen even ingedommeld en kreeg ik pas vijftig meter voor mijn eindhalte in de gaten dat ik eruit moest. Met mijn rechterarm deed ik een grabbel naar de paal voor me zodat ik me uit het zitje kon hijsen, terwijl ik met mijn andere hand mijn sjaal rond mijn nek probeerde te zwaaien. Daarbij vergat ik dat mijn boordevolle handtas aan diezelfde arm hing, waardoor ik Ling een rake rechtse verkocht. Van de schrik wipte deze even omhoog, zodat er ruimte vrij kwam tussen mijn kont en zijn been. Jammergenoeg betekende dat gezien het feit dat mijn rechterarm nog steeds verwoed aan de paal hing te trekken een dubbele opwaartse kracht en werd ik uit mijn stoel gekatapulteerd. Het mag een wonder heten dat mijn scherpe geest nog net voor ik tegen de grond smakte de mogelijkheid zag om op het belletje te drukken. Met een rode kop kroop ik op handen en voeten de bus uit, Lings ogen in mijn rug gebrand.
Moraal van het verhaal: steek je kont niet zonder nadenken tussen andermans zaken.
zaterdag 28 november 2009
Het perron
Ze lopen in de richting van het perron. Hun blikken dwalen onrustig langs bomen en daken, hun handen glijden in en uit jaszakken. Wanneer ze blijven staan, kruipen de centimeters een voor een tussen hen in. Zij kijkt op haar horloge, hij zoekt de trein die nog minstens acht minuten niet zal komen.
Seconden tikken weg. Elk om beurt openen ze hun mond, om hem vervolgens weer te sluiten. Hij kijkt naar haar terwijl zij aan de horizon naar woorden zoekt, haar ogen glijden langs zijn gezicht wanneer hij de tegels bestudeert. De woorden blijven uit.
Uiteindelijk maakt hij een grapje. Het ijs vertoont barsten, maar breekt niet. De spanning blijft ijzig in de lucht hangen. Hun monden lachen, maar hun ogen staan dof. Opnieuw wordt het stil.
Wanneer de trein het station binnenrijdt, komt de paniek. Haar ogen sperren zich open, zijn handen klampen zich vast. Te weinig tijd, te veel te zeggen. Ogen vullen zich met tranen, handen blijven krampachtig mouwen vasthouden. Hoofden worden geschud, troost wordt weggewuifd. Hij stapt op en rijdt het station uit, zij loopt langzaam weg. Het verdriet laat zijn voetafdrukken na op de tegels.
Seconden tikken weg. Elk om beurt openen ze hun mond, om hem vervolgens weer te sluiten. Hij kijkt naar haar terwijl zij aan de horizon naar woorden zoekt, haar ogen glijden langs zijn gezicht wanneer hij de tegels bestudeert. De woorden blijven uit.
Uiteindelijk maakt hij een grapje. Het ijs vertoont barsten, maar breekt niet. De spanning blijft ijzig in de lucht hangen. Hun monden lachen, maar hun ogen staan dof. Opnieuw wordt het stil.
Wanneer de trein het station binnenrijdt, komt de paniek. Haar ogen sperren zich open, zijn handen klampen zich vast. Te weinig tijd, te veel te zeggen. Ogen vullen zich met tranen, handen blijven krampachtig mouwen vasthouden. Hoofden worden geschud, troost wordt weggewuifd. Hij stapt op en rijdt het station uit, zij loopt langzaam weg. Het verdriet laat zijn voetafdrukken na op de tegels.
dinsdag 3 november 2009
Het aanzoek
De timing had, zo geef ik moedwillig toe, beter gekund. Ik had bijvoorbeeld een moment kunnen kiezen waarop we alleen waren. Op die manier had ik er in één klap voor kunnen zorgen dat ik vooral de aandacht niet vestigde op het feit dat ik na mijn zenuwplasje niet had gemerkt dat mijn rok in mijn onderbroek was blijven haken en ik bijgevolg met mijn billen bloot over straat liep. Om er nog van te zwijgen dat Grote Gert (liefdes van je leven neem je zoals ze zijn, met bijnaam en al) door toedoen van mijn zenuwplasje niet was kunnen gaan en met zevenmijlslaarsstappen door de straten banjerde, op zoek naar een plaatsje om zijn last alsnog te kunnen lozen. Klopt allemaal. Toch vind ik dat deze details er na welgeteld twee jaar, drie maanden en twintig dagen wachten weinig toe doen. Ik moest van straat raken, de kerk in, huisje tuintje hondje kindje, voor het te laat was.
Mijn openbaring kwam op mijn zestiende. De waarzegster had gezegd je zal sterven op je tweeënvijftigste, net als je moeder. Over die laatste heeft ze gelijk gekregen, dus ik moet haar wel geloven. In die zin kwam mijn openbaring pas op de dag dat mijn moeder tweeënvijftig werd. Toen is immers gebleken dat onkruid wel degelijk vergaat. Dat alles gaf me nog welgeteld vierentwintig jaar, één maand en drie dagen om al het bovenstaande te verwezenlijken. En ondertussen bleef de klok maar tikken. Het was dus nu of nooit. En aangezien wachten overduidelijk niets opleverde, had ik besloten het heft zelf in handen te nemen.
Die eerste stap zetten was, ondanks het feit dat ik vrij romantisch ingesteld ben, niet zo moeilijk. Goed, ik zou zelf op de knieën moeten gaan in plaats van Grote Gert op een wit paard aan te zien komen galloperen om me vervolgens om mijn hand te vragen. Maar een mens moet er iets voor overhebben om zijn nagedachtenis veilig te stellen. De eerste stap was, met de waarzegster in mijn achterhoofd, een fluitje van een cent. De praktische uitvoering was echter een ander verhaal. Vele nachtelijke uren heb ik me liggen afvragen hoe ik het zou aanpakken. Een klus zelf klaren in plaats van het aan een man over te laten is sowieso een goed idee. Daar kon het niet aan liggen. Wat wel problematisch kon zijn, was de mogelijkheid dat hij me zou afwijzen. En aangezien ik op het moment suprême met mijn billen bloot over een drukke avenue liep, ben ik mezelf dankbaar dat ik daar toch even bij heb stilgestaan.
Wordt vervolgd...
... en om het eens helemaal anders aan te pakken, mogen jullie suggesties doen voor een einde! Mail away!
Mijn openbaring kwam op mijn zestiende. De waarzegster had gezegd je zal sterven op je tweeënvijftigste, net als je moeder. Over die laatste heeft ze gelijk gekregen, dus ik moet haar wel geloven. In die zin kwam mijn openbaring pas op de dag dat mijn moeder tweeënvijftig werd. Toen is immers gebleken dat onkruid wel degelijk vergaat. Dat alles gaf me nog welgeteld vierentwintig jaar, één maand en drie dagen om al het bovenstaande te verwezenlijken. En ondertussen bleef de klok maar tikken. Het was dus nu of nooit. En aangezien wachten overduidelijk niets opleverde, had ik besloten het heft zelf in handen te nemen.
Die eerste stap zetten was, ondanks het feit dat ik vrij romantisch ingesteld ben, niet zo moeilijk. Goed, ik zou zelf op de knieën moeten gaan in plaats van Grote Gert op een wit paard aan te zien komen galloperen om me vervolgens om mijn hand te vragen. Maar een mens moet er iets voor overhebben om zijn nagedachtenis veilig te stellen. De eerste stap was, met de waarzegster in mijn achterhoofd, een fluitje van een cent. De praktische uitvoering was echter een ander verhaal. Vele nachtelijke uren heb ik me liggen afvragen hoe ik het zou aanpakken. Een klus zelf klaren in plaats van het aan een man over te laten is sowieso een goed idee. Daar kon het niet aan liggen. Wat wel problematisch kon zijn, was de mogelijkheid dat hij me zou afwijzen. En aangezien ik op het moment suprême met mijn billen bloot over een drukke avenue liep, ben ik mezelf dankbaar dat ik daar toch even bij heb stilgestaan.
Wordt vervolgd...
... en om het eens helemaal anders aan te pakken, mogen jullie suggesties doen voor een einde! Mail away!
woensdag 2 september 2009
Absurde treinconversatie 2
“Die heeft die deur niet dichtgedaan.”
“Het is toch erg, hé.”
“Ja. Lui zijn, hé.”
(kijkt de puber kwaad na en staat luid zuchtend op om de deur dicht te doen)
“Die deur gaat vanzelf dicht.”
“Het zijn toch krakken, hé.”
“Ja. Slim zijn, hé. Wie lui is, moet slim zijn.”
“Het is toch erg, hé.”
“Ja. Lui zijn, hé.”
(kijkt de puber kwaad na en staat luid zuchtend op om de deur dicht te doen)
“Die deur gaat vanzelf dicht.”
“Het zijn toch krakken, hé.”
“Ja. Slim zijn, hé. Wie lui is, moet slim zijn.”
vrijdag 28 augustus 2009
Absurde treinconversatie
“Ge moogt dat niet meer eten.”
“Wat niet?”
“Kipkap.”
“Kipkap?”
“Kipkap.”
“Waarom dat niet? Kipkap?”
“Omdat dat veel te vet is, kipkap.”
“En dan?”
“Da’s niet goed voor uw hart, zulle.”
“En dan?”
“Dan gaat ge dood. Zoals Bart van Jeanneke.”
“Van kipkap?”
“Van te vet.”
“Bart van Jeanneke?”
“Bart van Jeanneke.”
“Die was gewoon oud.”
“Van ’33.”
“Awel.”
“Zo oud is dat niet, zulle. Gewoon te vet.”
“Bart van Jeanneke?”
“Neeje, kipkap.”
“Wat niet?”
“Kipkap.”
“Kipkap?”
“Kipkap.”
“Waarom dat niet? Kipkap?”
“Omdat dat veel te vet is, kipkap.”
“En dan?”
“Da’s niet goed voor uw hart, zulle.”
“En dan?”
“Dan gaat ge dood. Zoals Bart van Jeanneke.”
“Van kipkap?”
“Van te vet.”
“Bart van Jeanneke?”
“Bart van Jeanneke.”
“Die was gewoon oud.”
“Van ’33.”
“Awel.”
“Zo oud is dat niet, zulle. Gewoon te vet.”
“Bart van Jeanneke?”
“Neeje, kipkap.”
woensdag 19 augustus 2009
Huilen
Huilen we om wie gestorven is
of om onszelf?
Om wat voorbij is en nooit meer terugkomt
of om wat nog komen gaat?
Om het gemis
of om de eenzaamheid?
Of slechts omdat we eraan herinnerd worden dat het leven eindig is
en we er een potje van maken?
Voor Tom, die ongetwijfeld het antwoord had geweten. Het ga je goed.
of om onszelf?
Om wat voorbij is en nooit meer terugkomt
of om wat nog komen gaat?
Om het gemis
of om de eenzaamheid?
Of slechts omdat we eraan herinnerd worden dat het leven eindig is
en we er een potje van maken?
Voor Tom, die ongetwijfeld het antwoord had geweten. Het ga je goed.
vrijdag 31 juli 2009
Wie het huisje poetst heeft het gedaan
Gedurende mijn relatief korte leven zijn er al heel wat poetsvrouwen de revue gepasseerd. Ze hebben er met zijn allen dan ook een geweldig zootje van gemaakt. Van de antieke vaas op de kast op de gang tot onze hamster Herman, alles moest eraan geloven. Vorige week nog verdween er twintig euro uit de commode. Vast die nieuwe uit Rwanda.
Sommigen hebben het lang uitgehouden. Krysta uit Polen, Aïsha, een Belgisch-Marokaanse en Yvonne, een geboren en getogen Kongolese. Respectievelijk de antieke vaas op de kast op de gang, onze hamster Herman en een ongelukkige val van het roze keukentrapje betekenden in het beste geval na jarenlange dienst de wisseling van de wacht. Anderen waren minder gelukkig. Die stootten, krasten, braken en vernielden op hun eerste dag van pure zenuwen allerlei huis- tuin- en keukenspullen en mochten meteen hun schop afkuisen.
Of het nu het gevolg is van stereotiep denken dan wel van een proces van gewenning, het toeval wil dat alles wat sinds de komst van de resem poetsvrouwen fout gaat in ons huishouden hun schuld is. Per definitie. Zo ook de chocoladebruine streep die ik in een moment van opperste verrukking (lees: onoplettendheid) op de sneeuwwitte bank achterliet (geen wonder dat ze zo'n enorme kont heeft, ze zit hele dagen te snoepen), de kras die mama bij het stiekem passen van mijn naaldhak maakte op het parket (ze draagt toch wérkéluk niet het gepaste schoeisel), de schroeiplek die mijn broer met zijn verboden sigaret in het gordijn maakte (als ze dan toch wil roken in ons huis, kan ze wel uitkijken dat ze de boel niet in de fik steekt) en de gebruikte condoom die verdwaald in het midden van de gang tussen alle drie de slaapkamers in lag (dit doet de deur dicht!).
Van alle vermeende ongevallen zagen we met onze eigen ogen gebeuren: het in duizend stukken vallen van de antieke vaas op de kast op de gang (Jezusmina, you know what that costs?), het verdwijnen van Herman in de slurf van de stofzuiger (You killed him! You killed him!) en de ongelukkige val van het roze keukentrapje (While you’re there, can you pick up that piece of paper?) Desalnietemin zijn we er zo goed als zeker van dat al de overige onregelmatigheden ook aan onze kuiseenheid toegeschreven kunnen worden. Zoals het ook de schuld van de tuinman zou zijn dat de staart van de raskat van de buren onder de grasmachine terechtkwam. Als we een tuinman hadden.
Sommigen hebben het lang uitgehouden. Krysta uit Polen, Aïsha, een Belgisch-Marokaanse en Yvonne, een geboren en getogen Kongolese. Respectievelijk de antieke vaas op de kast op de gang, onze hamster Herman en een ongelukkige val van het roze keukentrapje betekenden in het beste geval na jarenlange dienst de wisseling van de wacht. Anderen waren minder gelukkig. Die stootten, krasten, braken en vernielden op hun eerste dag van pure zenuwen allerlei huis- tuin- en keukenspullen en mochten meteen hun schop afkuisen.
Of het nu het gevolg is van stereotiep denken dan wel van een proces van gewenning, het toeval wil dat alles wat sinds de komst van de resem poetsvrouwen fout gaat in ons huishouden hun schuld is. Per definitie. Zo ook de chocoladebruine streep die ik in een moment van opperste verrukking (lees: onoplettendheid) op de sneeuwwitte bank achterliet (geen wonder dat ze zo'n enorme kont heeft, ze zit hele dagen te snoepen), de kras die mama bij het stiekem passen van mijn naaldhak maakte op het parket (ze draagt toch wérkéluk niet het gepaste schoeisel), de schroeiplek die mijn broer met zijn verboden sigaret in het gordijn maakte (als ze dan toch wil roken in ons huis, kan ze wel uitkijken dat ze de boel niet in de fik steekt) en de gebruikte condoom die verdwaald in het midden van de gang tussen alle drie de slaapkamers in lag (dit doet de deur dicht!).
Van alle vermeende ongevallen zagen we met onze eigen ogen gebeuren: het in duizend stukken vallen van de antieke vaas op de kast op de gang (Jezusmina, you know what that costs?), het verdwijnen van Herman in de slurf van de stofzuiger (You killed him! You killed him!) en de ongelukkige val van het roze keukentrapje (While you’re there, can you pick up that piece of paper?) Desalnietemin zijn we er zo goed als zeker van dat al de overige onregelmatigheden ook aan onze kuiseenheid toegeschreven kunnen worden. Zoals het ook de schuld van de tuinman zou zijn dat de staart van de raskat van de buren onder de grasmachine terechtkwam. Als we een tuinman hadden.
vrijdag 19 juni 2009
De notaris
Hoewel ik er voor onze ontmoeting geen idee van had hoe de doorsnee notaris eruit ziet, nam ik aan dat het exemplaar dat zich gezien zijn BMI tegelijk rechts van mij en pal voor mijn neus bevond voor het prototype kon doorgaan. Over zijn witte hemd met korte mouwen liep een afzichtelijke das met bordeauxrode, marineblauwe en spargroene strepen, de benen van zijn bril stonden zo wijd uit elkaar dat het leek alsof ze elk moment van het montuur konden springen en aan zijn pink prijkte een knoert van een zegelring die de bloedstroom naar de hoger gelegen kootjes volledig leek af te snijden. De immense bureaustoel waar hij zichzelf in gepropt had kraakte gevaarlijk onder zijn gewicht telkens wanneer hij een blad van het dossier omsloeg en een misnoegde zucht slaakte vanwege de administratieve rompslomp die hij tussen de letters ontwaarde.
Precies zoals hij met zijn hele uitstraling en gedrag wilde bereiken, was ik helemaal overdonderd en waagde ik het niet me te bewegen. Ook niet toen hij na tien minuten mompelend het dossier te hebben zitten voorlezen en zichzelf minstens evenveel keer foeterend op de Belgische wetgeving onderbroken te hebben amper in de helft zat en mijn linkerbeen pijn begon te doen. Het enige dat me ervan weerhield om te gaan verzitten, was het feit dat mijn anders zo ongegeneerde jongere broer met zijn rug stokstijf naast me zat en als gehypnotiseerd naar de vertoning keek.
Net toen ik begon te vrezen dat mijn linkerbeen blijvende schade zou oplopen als ik nog één minuut langer in dezelfde verkrampte houding zou blijven zitten, verbrak de jongste van de familie, een puberaal geval en de ouwe getrouwe in vervelende situaties, zijn eigen hypnose en daarmee ook de stilte door luidkeels te geeuwen. Opgelucht ging ik, en samen met mij de rest van de familie, zo zag ik, verzitten. De notaris keek verstoord op. Zijn drie kinnen trilden van verontwaardiging. Zijn jongere collega, die het afgelopen kwartier meermaals de mantel was uitgeveegd, kon zijn plezier duidelijk niet op.
De notaris trok zijn wenkbrauwen op en maakte een nerveuze beweging met zijn hoofd, met een choreografisch hoogstandje van de lichaamsvetten en huidlagen onder zijn kin tot gevolg, en vroeg of het hem misschien niet interesseerde, jongeman. Met getuite lippen en zijn herwonnen arrogantie knikte deze van wel, mijnheer. In zijn wiek geschoten rammelde de man het dossier in amper drie minuten zevenentwintig seconden verder af, sloeg ermee op het bureau en droeg ons op om het te ondertekenen. Nog voor de laatste letter goed en wel op papier stond, griste hij het onder onze neus weg en begeleidde ons trippelend naar de uitgang. Met een “Geen vragen meer, mevrouwtje, vertrouwt u er maar op” slaagde hij erin om ten slotte ook moeder naar buiten te werken.
Bij deze is het duidelijk dat iedereen voor een bepaald beroep gemaakt is. Heb je een voorliefde voor dure pakken, dan ga je de advocatuur in. Ben je op de koop toe onuitstaanbaar, dan word je notaris. Is je handschrift volstrekt onleesbaar, studeer je geneeskunde. Dikkerdjes worden kok, panlatten model, saaie pieten stappen in het bankwezen, moederlijke types worden verpleegster of kleuterbegeleidster, mensen met harde gelaatstrekken bouwen een carrière uit, zij met een lief gezicht gaan de sociale sector in. Ben je al het voorgaande, contacteer dan uw uitzendconsulente (een dikke, vriendelijke dame van middelbare leeftijd) of uw psycholoog (een magere, jonge vrouw of een grijzende man van boven de vijftig met een brilletje).
Precies zoals hij met zijn hele uitstraling en gedrag wilde bereiken, was ik helemaal overdonderd en waagde ik het niet me te bewegen. Ook niet toen hij na tien minuten mompelend het dossier te hebben zitten voorlezen en zichzelf minstens evenveel keer foeterend op de Belgische wetgeving onderbroken te hebben amper in de helft zat en mijn linkerbeen pijn begon te doen. Het enige dat me ervan weerhield om te gaan verzitten, was het feit dat mijn anders zo ongegeneerde jongere broer met zijn rug stokstijf naast me zat en als gehypnotiseerd naar de vertoning keek.
Net toen ik begon te vrezen dat mijn linkerbeen blijvende schade zou oplopen als ik nog één minuut langer in dezelfde verkrampte houding zou blijven zitten, verbrak de jongste van de familie, een puberaal geval en de ouwe getrouwe in vervelende situaties, zijn eigen hypnose en daarmee ook de stilte door luidkeels te geeuwen. Opgelucht ging ik, en samen met mij de rest van de familie, zo zag ik, verzitten. De notaris keek verstoord op. Zijn drie kinnen trilden van verontwaardiging. Zijn jongere collega, die het afgelopen kwartier meermaals de mantel was uitgeveegd, kon zijn plezier duidelijk niet op.
De notaris trok zijn wenkbrauwen op en maakte een nerveuze beweging met zijn hoofd, met een choreografisch hoogstandje van de lichaamsvetten en huidlagen onder zijn kin tot gevolg, en vroeg of het hem misschien niet interesseerde, jongeman. Met getuite lippen en zijn herwonnen arrogantie knikte deze van wel, mijnheer. In zijn wiek geschoten rammelde de man het dossier in amper drie minuten zevenentwintig seconden verder af, sloeg ermee op het bureau en droeg ons op om het te ondertekenen. Nog voor de laatste letter goed en wel op papier stond, griste hij het onder onze neus weg en begeleidde ons trippelend naar de uitgang. Met een “Geen vragen meer, mevrouwtje, vertrouwt u er maar op” slaagde hij erin om ten slotte ook moeder naar buiten te werken.
Bij deze is het duidelijk dat iedereen voor een bepaald beroep gemaakt is. Heb je een voorliefde voor dure pakken, dan ga je de advocatuur in. Ben je op de koop toe onuitstaanbaar, dan word je notaris. Is je handschrift volstrekt onleesbaar, studeer je geneeskunde. Dikkerdjes worden kok, panlatten model, saaie pieten stappen in het bankwezen, moederlijke types worden verpleegster of kleuterbegeleidster, mensen met harde gelaatstrekken bouwen een carrière uit, zij met een lief gezicht gaan de sociale sector in. Ben je al het voorgaande, contacteer dan uw uitzendconsulente (een dikke, vriendelijke dame van middelbare leeftijd) of uw psycholoog (een magere, jonge vrouw of een grijzende man van boven de vijftig met een brilletje).
zaterdag 16 mei 2009
Kamperen
Het plan had onfeilbaar geleken: ik zou mijn batterijen opladen in de wijde natuur en als herboren naar huis terugkeren. Na amper vijf minuten bleek echter dat ik één detail over het hoofd had gezien: moeder natuur laat zich niet manipuleren.
De zon, die er in mijn fantasieën overvloedig aan te pas kwam, was ver te zoeken. In plaats daarvan sierden donkere, dreigende wolken de hemel. Een plensbui is een eufemisme voor het noodweer dat amper achthonderdvijfentwintig meter van het vertrekpunt losbrak. Gelukkig was ik op alles voorzien. Uitgedost als een levensgrote PMD-zak zette ik mijn weg verder. De uitroepen die ik onderweg oogstte, klasseerde ik als aanmoedigend.
Doornat en uitgeput kwam ik ’s avonds op het kampeerterrein aan. Eten en overnachten in de buitenlucht zouden vast een helend effect hebben. Effect hadden ze zeker, ware het niet helemaal zoals gewenst. Mijn tupperwaremaaltijd en plastic vork zonken in het niets bij de professionele vuurstellen en eetgerei van ervaren kampeerders en de grond – ofschoon deze zompig was geworden door de overvloedige regenval – voelde harder en kouder aan dan verwacht. De volgende morgen werd de tocht dan ook voortijdig afgeblazen, wegens lichamelijke en geestelijke oververmoeidheid.
Het was echter niet allemaal kommer en kwel; de wonderen der natuur werden me niet onthouden. Wat begon als een knellende schoen, eindigde in een blein met de afmetingen van een wijd uit elkaar gespatte vogelstront met wonderlijke kleurschakeringen. Ook leerde ik enkele waardevolle lessen over mezelf: PMD- zakken flatteren mijn figuur niet en de natuur intensief bewonderen is niet bevorderend voor mijn gemoedstoestand.
De zon, die er in mijn fantasieën overvloedig aan te pas kwam, was ver te zoeken. In plaats daarvan sierden donkere, dreigende wolken de hemel. Een plensbui is een eufemisme voor het noodweer dat amper achthonderdvijfentwintig meter van het vertrekpunt losbrak. Gelukkig was ik op alles voorzien. Uitgedost als een levensgrote PMD-zak zette ik mijn weg verder. De uitroepen die ik onderweg oogstte, klasseerde ik als aanmoedigend.
Doornat en uitgeput kwam ik ’s avonds op het kampeerterrein aan. Eten en overnachten in de buitenlucht zouden vast een helend effect hebben. Effect hadden ze zeker, ware het niet helemaal zoals gewenst. Mijn tupperwaremaaltijd en plastic vork zonken in het niets bij de professionele vuurstellen en eetgerei van ervaren kampeerders en de grond – ofschoon deze zompig was geworden door de overvloedige regenval – voelde harder en kouder aan dan verwacht. De volgende morgen werd de tocht dan ook voortijdig afgeblazen, wegens lichamelijke en geestelijke oververmoeidheid.
Het was echter niet allemaal kommer en kwel; de wonderen der natuur werden me niet onthouden. Wat begon als een knellende schoen, eindigde in een blein met de afmetingen van een wijd uit elkaar gespatte vogelstront met wonderlijke kleurschakeringen. Ook leerde ik enkele waardevolle lessen over mezelf: PMD- zakken flatteren mijn figuur niet en de natuur intensief bewonderen is niet bevorderend voor mijn gemoedstoestand.
Abonneren op:
Posts (Atom)