maandag 9 januari 2012

De man met de buil 16

Voor de voeten van moeder sportschoen ligt iets te blinken. Een revolver. Linda's revolver. Linda zelf komt met haar broek half over haar kont het hokje uit getrippeld. Dat komt ervan als je broek te strak is: dan floept er van alles uit. Na de revolver, die blijkbaar een ongelukkige uitschuiver maakte en zo buiten het hokje belandde, floept ook een fluoroze string bijna de vrije wereld in wanneer ze zich voorzichtig bukt op de revolver op te rapen.

Nog voor ze volledig rechtstaat, begint ze mijn richting uit te lopen, haar blik op de grond gericht. De schok waarmee ik haar onderdanige, kruiperige lichaamstaal herken, hypnotiseert me bijna. Het lijkt wel of ik naar mezelf kijk. Op exact die manier heb ik me drieëndertig jaar lang door het leven bewogen. In mijn geval trok niet een roze string de aandacht, maar een roze buil. Dat is bijna hetzelfde. Alleen is die buil op zijn minst honderd keer minder sexy.

Omdat ik geen tijd heb voor zelfmedelijden, raap ik mezelf bij mekaar en loop samen met Linda zo onopvallend mogelijk naar de auto. Als Benny nog steeds even gehaast is, geraken we hier zonder probleem weg. Dat is echter buiten moeder gerekend. Met een witte, plastic vuilbak als een schild voor zich uit stormt ze naar buiten.
"Ils ont un pistolet!"
Ik wist dat we in Wallonië waren, maar ben even in de war. Ik kan het Linda dan ook niet kwalijk nemen dat ze verbaasd naar haar handen kijkt. Pas wanneer de vrouw er, wild met de vuilbak zwaaiend, "Ils vont nous tuer!" aan toevoegt, begrijp ik hoe laat het is.

maandag 2 januari 2012

De man met de buil 15

Onder luid gezucht rijdt Benny de eerstvolgende picknickplaats op. Hij parkeert zich tussen een grijze Honda waarvan alle deuren open staan en een donkere monovolume. De eigenaars zitten te eten aan een betonnen tafel. Hun kleurige koelboxen en luid gelach staan in schril contrast met de ijzige stemming in onze wagen. Alsof Benny mijn gedachten gehoord heeft, snauwt hij Linda toe of ze nou nog gaat zeiken of niet.

Wat verderop biedt een gammel barakje beschutting aan zij die hun plas echt niet kunnen ophouden tot aan het volgende tankstation. Linda snelt er met een opgetrokken neus naartoe. Ik volg al slenterend. Even mijn nek strekken. Omdat Benny elke stap met argusogen volgt, volg ik Linda niet naar binnen. Voor de show draai ik mijn hoofd wat van links naar rechts. Zo kan Benny zien waarom ik ben uitgestapt. Want het is best raar dat ik Linda sta op te wachten aan de ingang van de wc, moet ook ik toegeven.

In het hokje naast dat waar Linda's maffe schoenen voor de pot staan, zie ik twee roze sportschoentjes maatje 32 rondjes draaien. Voor de deur vraagt de moeder of ze moet helpen. Aan het gewiebel van haar hakken te zien, kan Linda ook best wat hulp gebruiken. Ik onderdruk een lach en probeer me vooral niet voor te stellen hoe ze de aansluitende broek over haar volumineuze kont probeert te trekken. Net wanneer ik me half wil omdraaien zodat niemand ziet dat ik sta te grijnzen, trekt een gil mijn aandacht.

woensdag 28 december 2011

De man met de buil 14

Nu ik een volwaardig handlanger ben, mag ik mijn eisen stellen. Vind ik. Benny denkt daar echter anders over. Het duurde een kwartier eer ik en Linda hem ervan konden overtuigen om me de blinddoek te laten uitdoen. Nu broed ik op een plan om hem aan zijn verstand te brengen dat we onze vluchtauto moeten dumpen, willen we niet binnen het halfuur gesnapt worden. Helaas gaat denken niet zo makkelijk met je nek in een onnatuurlijke knik en je linkeroor tegen een autoplafond. Gelukkig komt Linda met een fantastisch afleidingsmanoeuvre op de proppen: “Ik moet plassen.”

woensdag 7 december 2011

De man met de buil 13

Benny’s gezicht staat opnieuw grimmig. Dat voel ik door de blinddoek heen. Hij heeft namelijk onder zijn eigen duiven geschoten. Niemand die bij dat besef blijft lachen.

Bij het uitstappen nam Linda mijn hand vast: “Hierlangs, mannetje.” Haar stem klonk mierzoet. Ze leidde me ergens naar binnen en zette me voorzichtig neer op een stoel, waarna ze mijn hand bleef staan vasthouden. 

Nu staan zij en Benny nijdig te fezelen in wat ik me voorstel als een donkere gang met vochtplekken op de muren. Handlanger drie is nergens meer te bespeuren. Ik hoor hem althans niet. Het fezelen daarentegen wordt steeds luider.

“Excuseer,” kuch ik me een weg naar de aandacht. “Ik heb misschien een oplossing.”
Benny stoot een smalende lach uit.
“En wat denk je dan dat het probleem is, ventje?”
Ik richt mijn hoofd in de richting van waar het geluid komt en hoop dat het niet een raamkozijn is dat ik smalend aankijk.
“Waar zal ik beginnen? Jullie en jullie auto staan duidelijk herkenbaar op de bewakingscamera’s, Linda staat intussen gesignaleerd als gewapende crimineel en de GSM in mijn broekzak zendt traceerbare signalen uit. Mijn vrouw staat die gegevens op dit eigenste moment waarschijnlijk op te vragen bij de politie, want ik moest al minstens een uur thuis zijn met de aardappelen. Ze heeft er een hekel aan als ik te laat ben.”

Opnieuw heb ik geen idee waar dat vandaan kwam, maar ik weet één ding: in deze historie weiger ik het lijdend voorwerp te zijn. Mijn strategie werkt wonderwel. Vloekend als een ketter grijpt Benny me bij mijn kraag. Onderweg naar de auto raken mijn voeten amper de grond.

zaterdag 3 december 2011

De man met de buil 12


De wereld klinkt vreemd met een blinddoek om. Plots is alles luider en scherper. Ik hoor de banden over het asfalt rollen, de verwarming tikken en Linda nagelbijten. De richtingaanwijzer lijdt aan grootheidswaanzin, en Benny moet zo te horen dringend zijn neus snuiten.

woensdag 30 november 2011

De man met de buil 11


Wanneer ik wakker word, ligt mijn hoofd op Linda’s schouder en drukt de riem van de babystoel in mijn lies. Panty Benny kijkt me nors aan door de achteruitkijkspiegel. Hij heeft de panty nog niet lang geleden uitgedaan; de afdruk van de elastiek is nog te zien in zijn nek. Vreemd genoeg komt het niet in me op dat Linda en Benny misschien een koppel zijn. Dat zal pas later tot me doordringen, wanneer hij zijn arm rond haar middel zal slaan en haar ‘mijn meissie’ zal noemen. Op dit moment ben ik er nog van overtuigd dat hij me kwaad aankijkt omdat ik Linda’s schouder een beetje ondergekwijld heb.

Ik vraag me af hoe lang ik hier gelegen heb. We zijn in ieder geval een heel eind buiten de stad. We rijden over een trieste steenweg.
“Waar gaan we heen?” vraag ik richting achteruitkijkspiegel. De bloemenkrans begint te trillen van verontwaardiging.
“Gaat je niet aan.” En dan, op dezelfde snauwende toon, “Linda, blinddoek die malloot.”
Mijn buil begint te jeuken. Dit is geen leuke wending. Ik waande me een handlanger, maar blijk niet meer dan een ordinaire gegijzelde. Hoe lang zou het duren voor mijn vrouw beseft dat ik vanavond niet thuiskom met de aardappelen?

woensdag 21 september 2011

De man met de buil 10

Grootse dingen gebeuren meestal wanneer je even niet kijkt. Het ene moment sta je omhoog te staren naar een afgrijselijk, afbladderend kruisbeeld en het volgende blijk je getrouwd. Of sta je tomaten te keuren en eindig je in een kinderstoel met een wapen op je schoot. Niemand die dat ziet aankomen. Geluk zit in een klein straathoekje.

zaterdag 17 september 2011

De man met de buil 9

Wanneer we eindelijk naar buiten getrippeld zijn, zie ik een groene Ford Fiesta zo snel de bocht om vliegen dat hij enkele seconden op twee wielen rijdt. Aan alle achteruitkijkspiegels bengelen kleurrijke bloemenkransen en de deur aan de passagierskant is rood in plaats van groen. De enige minder subtiele vluchtauto was de pausmobiel geweest. Linda staat een meter achter me en drukt nog steeds met gestrekte arm haar wapen tussen mijn schouderbladen.

De auto stopt met piepende banden vlak voor onze voeten - en de bewakingscamera. De grote opent de rode deur. Hij heeft een bruine panty over zijn hoofd getrokken. Jammer dat hij daar niet aan gedacht heeft vóór hij de supermarkt binnen ging.

“Wat doet hij hier?” Voor zover ik dat kan onderscheiden, staat zijn gezicht grimmig.
“Hij kan van pas komen, Benny. Instappen, mannetje.” Ze port me.
“Hij kan niet zitten, Linda.”

Panty Benny heeft gelijk. Op de achterbank staat een kinderstoel op de tweede zitplaats. Veel tijd hebben we echter niet meer. Degene die de camerabeelden bekijkt, heeft intussen de tijd gehad om de nummerplaat uit zijn hoofd te leren. Dus stap ik in en wring me in de kinderstoel. Daarbij moet ik mijn hoofd in een hoek van vijfenzeventig graden tegen het dak van de auto plooien. Pas als we de supermarkt een behoorlijk eind achter ons hebben gelaten, merk ik dat ik opnieuw zit te grijnzen.

zaterdag 10 september 2011

De man met de buil 8

Terwijl Bubbles allerlei spullen van de rekken molenwiekt, lopen haar twee handlangers met een rode, stoffen zak onder de arm naar de uitgang. De grootste heeft een legerbroek aan met een spannend groen shirt erboven en heeft schouders die eruit zien als een stormram. De kleinste is gedrongen en heeft een enorme tatoeage over de hele lengte van zijn arm en een glinsterende ketting aan zijn versleten jeans. Onderweg trapt de lange op iemands been. De man die aan het been hangt springt kermend recht en begint een huppeldans om zijn eigen as. Gealarmeerd brult Bubbles dat hij onmiddellijk terug moet gaan liggen. De man wankelt wat, maar hinkelt uiteindelijk gewoon verder. Daarop richt Bubbles haar geweer op het plafond en lost ze een schot. Een echt.

Plots merk ik dat mijn buik tintelt. Dit gevoel heb ik al die jaren gemist. Later zullen de beelden van de bewakingscamera tonen dat ik plots een gelukzalige glimlach op mijn gezicht krijg, alsof ik een openbaring heb gehad. En dat is precies wat er gebeurde.

Terwijl alle aanwezige vrouwen, Bubbles inclusief, in koor beginnen gillen word ik ondergesneeuwd door neerdwarrelende kalk. De lange buldert door het gegil heen dat Linda – Bubbles heet eigenlijk Linda – godsamme moet kalmeren en mee naar buiten moet komen. De kleine is nergens meer te bekennen. Ik hoop maar dat ze een vluchtauto hebben. Met mijn handen in mijn zakken sta ik te wachten tot Linda het op een lopen zet. Hier heb ik al die tijd op gewacht: haar te zien wegrennen op die maffe schoenen van haar. Helaas is dat buiten mevrouw gerekend. Ze drukt de loop van de revolver tussen mijn schouderbladen en sist: “Meekomen, mannetje.”

vrijdag 9 september 2011

De man met de buil 7

Er gebeurt vanalles tegelijk.

zaterdag 3 september 2011

De man met de buil 6

Nadat Bubbles drie bellen heeft geblazen en haar revolver achter haar broeksriem heeft gestoken, zet ze haar handen in haar zij.
“Jij bent grappig.”
Ik knipper een keer traag met mijn ogen en kijk dan over mijn schouder. Ze barst in lachen uit.
“Dat bedoel ik nou! Funny mannetje!”
Ze heeft een Hollandse tongval. Een tong waar, zo merk ik nu, een blinkende piercing doorheen zit.
“Hoe kom je aan die rare buil op je kop?”
In normale omstandigheden is het voor mij onmogelijk om het verhaal te vertellen zonder een krop in de keel te krijgen. Gelukkig zijn dit geen normale omstandigheden. Ik heb namelijk nog steeds een vrouw met een revolver voor me. Ik moet dit slim spelen. Niet de emotionele toer opgaan. Indruk maken.
“Opgelopen bij een arrestatie na een overval. Je moet trouwens uitkijken met die revolver in je broeksriem. Zo’n ding kan afgaan voor je er erg in hebt. Hebben jullie trouwens het stille alarm gecontroleerd? Je wilt niet hebben dat de politie hier zo meteen voor de deur staat.”
Een tijd lang, uren lijkt het wel, staan we met open mond tegenover elkaar. Ik kan niet geloven wat ik net gezegd heb en heb geen flauw benul waar het vandaan kwam. Zij kan duidelijk niet geloven dat ze niet aan het stille alarm hebben gedacht. Ze doorbreekt de stilte voor de storm dan ook brullend en vervaarlijk in het rond zwaaiend met haar glimmende wapen.

vrijdag 2 september 2011

De man met de buil 5

Ik heb mijn positie in de wereld nooit als een voordeel gezien. Het grootste deel van de tijd zag ik het niet eens als een positie, maar vond ik mezelf er maar wat achteraan bengelen. Op momenten als deze blijkt het feit dat ik in de achtergrond kan opgaan echter in mijn voordeel te spelen. Elk ander zou een kogel moeten incasseren na het in het belachelijke trekken van een overval. Ik niet. Eens te meer ben ik niet meer dan een uit de mode geraakt element uit het ameublement. Nooit gedacht dat die karaktertrek mijn leven zou redden. Wat ik nog minder had verwacht, was dat net die eigenschap ervoor zou zorgen dat ik zou opvallen.