Posts tonen met het label karakter. Alle posts tonen
Posts tonen met het label karakter. Alle posts tonen

vrijdag 1 mei 2009

Karakter(loos)

Ik wilde me sterk houden. Tonen dat ik een vrouw met ballen ben. Vooral niet onderdoen voor mijn mannelijke metgezel en de horror overleven. Op het eerste zicht slaagde ik daar wonderwel in. Ik kreeg zelfs complimenten. Maar ik had beter moeten weten. Eens de nacht viel, verschrompelde ik tot een bevend, angstig wezentje.

Het is steeds hetzelfde liedje: ik wil me spiegelen aan anderen en algemeen aanvaarde stereotypen. Ik wil net zo knap, slim, belezen, zorgeloos, culinair aangelegd, op de hoogte van de nieuwste films, fotogeniek, perfect gelukkig, sociaal vaardig, slank, goedlachs en assertief zijn als de perso(o)n(en) in wiens gezelschap ik me bevind. Anderen lijken er moeiteloos in te slagen, ik heb er de grootste moeite mee. Zo lang ik kan probeer ik het vol te houden. Volkomen slagen in mijn opzet lukt echter nooit. Op het moment dat ik besef dat ik door de mand gevallen ben, zakken mijn schouders samen met mijn moraal als een lappenpop in elkaar en klap ik volledig dicht.

Deze keer wilde ik echter volhouden tot het bittere einde. En bitter was het zeker. Anderhalf uur, liters bloed en ettelijke angstaanvallen na de eerste verschrikkelijke minuten was ik in mijn opzet geslaagd. De pluim die ik kreeg (“Ik had nooit gedacht dat je dit zou aankunnen!”) wuifde ik met een glimlach weg. Geen probleem, toch!

Een probleem was het inderdaad niet geweest als ik er anderhalf uur lang in geslaagd was mijn zicht en gehoor van de buitenwereld af te sluiten. Jammer genoeg was dat niet gelukt, met enkele slapeloze, angstige nachten tot gevolg.

Een mens zou denken dat hij leert uit zijn fouten. Niets is echter minder waar. Volledig gelukkig zijn met wie ik ben, heb ik ondanks alles nog steeds niet geleerd. In afwachting probeer ik nog steeds te zijn wie anderen graag willen dat ik ben.

maandag 27 april 2009

Positief denken (2)



Positieve gedachten over jezelf, ook al zijn ze niet realistisch, behoeden je ervoor dat je passief in een hoekje gaat zitten huilen. Te veel realisme maakt depressief. Wetenschappelijk bewezen.
(De Morgen, zaterdag 25 april)

Zo zie je maar!

donderdag 23 april 2009

Positief denken

Ik moest positief denken van de dokter. Dat zei hij. “Je moet positief denken, kind.” Ik had niks te willen.

Hij vond dat ik er soms zo’n negatieve gedachten op nahield. Zoals die keer dat ik hem ei zo na onderkotste omdat hij zijn houten palletje net iets te diep in mijn keel stak. Ik schaamde me dood en wilde me halfnaakt het kabinet uit haasten, hij haalde enkel zijn schouders op.

Het ging met vallen en opstaan.
“Positief denken kan je leren.”
“Hoe dan?”
“Denk het omgekeerde van je initiële gedachte.”
Makkelijk zat, dacht ik. Amper zes dagen later zat ik opnieuw voor zijn neus. Ontkennen dat het pijpenstelen regende, had geen zin gehad. De keelontsteking die ik tijdens mijn “zonnige dag” opgelopen had negeren, lukte evenmin.

Ik mocht niet in extremen vervallen. Dat was een moeilijke. De gulden middenweg is een smal paadje over steile rotsen, zo leerde ik. Ik ondervond het aan den lijve toen een oerlelijke vrouw straalde onder mijn regen aan complimenten, terwijl haar knappe vriendin me naarmate de tijd en het aantal lovende woorden vorderden steeds donkerder blikken toewierp en ten slotte met haar naaldhak op mijn teen ging staan.

Hoewel het veel tijd, moeite, zweet en tranen kost, had de dokter gelijk. Positief denken kan je leren. En je wordt er gelukkiger van ook. Iemand ei zo na onderkotsen is minder erg dan het daadwerkelijk doen. Als het regent blijf je best binnen wachten op de zonneschijn die ongetwijfeld komt. En de omlaag krullende mondhoeken van je geliefde wanneer zijn hand stoppels op je been ontdekt, duiden enkel op een onverwachte maar niet zozeer onaangename verrassing. Zo zie je maar.

woensdag 11 maart 2009

De trein (2)

Zij zat schuin voor, hij naast mij. Zij was redelijk gezet, droeg haar haar in een slordige staart en keek strijdlustig door de vuile ruit. Hij was normaal gebouwd, had een hip kapsel en liet zijn ring rondjes draaien om zijn vinger. Hij legde zijn hand op haar omvangrijke dij. Zij ging in de aanval.

Hij vond dat ze overdreven reageerde, zij verweet hem zijn emotieloosheid. Hij suste dat ze het zich niet zo moest aantrekken, zij benadrukte dat ze niet over zich heen liet lopen door dat kreng. Hij vroeg waarom ze zich zo bedreigd voelde, terwijl daar helemaal geen reden toe was. Zij wees hem erop dat hij die trut anders ook wel knap had gevonden toen hij haar vorige week had ontmoet. Hij herinnerde haar eraan dat hij niet op graatmagere types viel. Zij snoof, niet overtuigd. Hij stelde voor dat ze zich, als ze zich zo voorbijgestoken voelde, zou bijscholen. Ook al zou dat moeite vergen. Hoezo moeite? Hij had haar altijd al dom gevonden, was het niet?

Hoewel ik me zeer bewust was van het feit dat ik in oorlogsgebied was terechtgekomen, kon ik een glimlach amper onderdrukken. Het deed deugd om te beseffen dat ik niet de enige over-emotionele vrouw ter wereld ben. En dat discussies precies om die reden altijd weer vierkant draaien.

Zijn handen hingen enkele seconden radeloos in de lucht en vielen tenslotte neer in zijn schoot. Haar ogen keken woedend uit het raam, haar kaken stijf opeen geklemd. De mensen in de wagon keken onwennig om zich heen. Niet om wat ze gehoord hadden, maar omdat het, nu de stilte viel, duidelijk werd dat ze meegeluisterd hadden.

Enkele minuten verstreken. Haar kaken ontspanden zich, zijn handen zochten naar woorden. Maar het bleef stil. Ik keek wijselijk de andere kant uit.

Een stem maakte duidelijk dat we het volgende station naderden. Zij ritste haar jas dicht en friemelde even aan de zoom. Hij raapte zijn moed bij elkaar en keek haar aan. Zij deed alsof ze zijn ogen niet zag en stond op. Achter elkaar liepen ze naar de deur. De trein remde en stopte. Zwijgend stapten ze uit. Onderweg naar de trap die de perrons met elkaar verbond, reikte hij naar haar hand. En zij gaf hem die. De vrouwen om me heen haalden opgelucht adem en schoven bij het raam vandaan. Ik glimlachte.

zondag 1 februari 2009

Als

Als jij mij was
en ik was jou
zouden we dan elkaar zijn?

Of zouden we nog steeds onszelf zijn,
maar dan in omgekeerde evenredigheid?

zondag 18 januari 2009

Emotieloos

Uit de blik in je ogen had ik moeten opmaken wat er in je omging. Een blinde kon het zien. Maar omdat een aanval van acute emotieloosheid me voor de zoveelste keer in zijn greep hield, maakte ik er helemaal niets uit op. Behalve het feit dat je naar me keek, dan. En dat de wal onder je rechteroog donkerder was dan die onder je linker. Dat deelde ik je dan ook mee. Op het toontje dat ik zo goed van Jan Becaus heb afgekeken. Al zeg ik het zelf.

Soms heb ik echt respect voor de kalmte die je steeds opnieuw aan de dag weet te leggen. Ik zou het, achteraf gezien, wanneer ik weer normaal kan denken en voelen, namelijk volkomen begrijpen dat je antwoord op die volledig misplaatste mededeling zou hebben bestaan uit een goedgeplaatste rechtse. Maar in plaats daarvan haalde je voor zowat de vierduizendtweehondervijfenzestigste keer sinds je me kent diep en dapper adem en deelde je me rustig mee dat die wallen er steeds donkerder uit beginnen zien omdat ik je je slaap niet gun met mijn kuren en dat je rechteroog waarschijnlijk gevoeliger is dan je linker. En nog steeds drong het niet door. Eigenlijk zou je me die rechtse best wel mogen verkopen op zo’n moment. En als iemand je zijn linkerkaak biedt… Het komt erop neer dat ik, achteraf gezien, wanneer ik weer normaal kan denken en voelen, wel inzie dat mijn reactie weer niet correct was. Ik weet wel dat een glimlach een warme blik terug verdient en een traan een troostend woord. Dat weet ik allemaal wel. Ik weet alleen niet goed hoe ik die dingen in praktijk moet omzetten. Meestal heb ik pas door dat je verdrietig bent wanneer je na een tijd weer lacht. En sinds die ene keer, toen je opnieuw en nog harder dan eerst in gele snotter en zout vocht bent uitgebarsten, vraag ik eens je terug lacht nooit meer naar het waarom van je verdriet. Ook al heb ik daarom op die ene keer na nog nooit geweten wat je dwars zat. Het grootste deel van de tijd zit ik daar niet mee in en ben ik al lang blij dat je met een natte glimlach verklaart dat ik je als geen ander kan opbeuren. Dat betekent namelijk dat ik een verborgen talent heb. Iets waar ik op heldere emotionele momenten best trots op ben.

Maar toch heb ik soms het gevoel dat die rake rechtse niet onverdiend zou zijn. Al was het maar omdat mijn linkeroog dan even donker omrand zou zijn als het jouwe.

maandag 22 december 2008

De hik

De hik ontsnapt me op een onverwacht moment en blijft even boven de tafel hangen, om dan langs het raam naar buiten te vliegen. Het zevenjarige meisje op wie ik aan het babysitten ben, kijkt me van boven haar bord beschuldigend aan: “Ik ben wel aan het eten!” Totaal verbijsterd vergeet ik te antwoorden dat de klodder spuug die ze zonet nog over de tafel heen naar haar broer heeft gekatapulteerd mijn eetlust evenmin aanwakkert.

Kinderen zijn soms verbazend ad rem. Wanneer je het niet verwacht, halen ze je met behulp van een goedgeplaatste uppercut vliegensvlug onderuit. En omdat de waarheid uit een kindermond komt, ben je meestal zo van je melk dat het onmogelijk is om hen van antwoord te voorzien. De uitdagende grijns die ze je toewerpen wanneer ze beseffen dat ze gescoord hebben, is onuitstaanbaar. Je zou voor minder hysterisch gillend met je armen boven je hoofd rondjes beginnen lopen. Maar omdat dat des te meer zou benadrukken dat die kleine gewonnen heeft, hebben volwassenen er iets anders op gevonden. Ze trekken hun gezicht in de plooi, wat soms gepaard gaat met het omlaag schieten van de mondhoek(en), en zeggen iets in de trend van “Juist ja”, waarna ze zogenaamd onverstoorbaar verder gaan met wat ze bezig waren. Of ze zeggen helemaal niets en veinzen een plotselinge interesse voor het dichtstbijzijnde object, of dat nu een stofje of een olifant is. Enkele dappere exemplaren gaan de strijd aan door te trachten het euvel met humor te maskeren, maar meestal zijn ze genoodzaakt daarmee te stoppen wanneer het kind, dat zich aangemoedigd voelt door zoveel optimisme, euforisch gillend voet bij stuk houdt.

Het grootste deel van de tijd behoor ik tot de groep van de stofjes en de olifanten. En soms, wanneer ik in een goede bui ben, durf ik de confrontatie aangaan. Om uiteindelijk via bovenstaand scenario grandioos het onderspit te moeten delven. De sterkte van een kind zit hem in de onbezonnenheid. Politieke correctheid zal hen een worst wezen. Op die manier walsen ze je meestal rechttoe, rechtaan helemaal plat. Gelukkig bestaat er nog zo iets als gezag. Wanneer het echt gênant dreigt te worden, kan je het “onhandelbare ding” nog altijd in de hoek zetten om af te koelen. Dat zal ze leren!

Maar hoewel het lachen hen in die hoek uiteindelijk wel vergaat, hebben je eergevoel en je eigenwaarde - diep vanbinnen - de zoveelste flinke deuk gekregen.

zondag 23 november 2008

Mondelinge examens

Mondelinge examens. Ze moesten ze afschaffen. De bibber in je stem is moordend voor je zelfvertrouwen, de gezichtsuitdrukking van je prof spreekt boekdelen en het enige waar je nog aan kan denken is “Denk na. Denk godverdomme na.” Maar waarover je nu weer moest nadenken, is je volledig ontschoten.

Je stapt het kantoor binnen. Je “Dag professor” klinkt alsof je in geen weken je stem nog gebruikt hebt (wat ook wel het geval is) en je niet meer goed weet hoe je het volume en de toonhoogte moet regelen. Je gaat zitten. Als je geluk hebt, doe je dat op de voorbehouden stoel en niet op die van de assistent(e) van de prof. Als je pech hebt, word je op slag nog zenuwachtiger. En dan komt het, het moment van de waarheid. Je mag je vragen trekken. Je bezegelt je eigen lot. Je tekent voor je eigen roem of ondergang. Je handen trillen. Je neemt een kaartje bij de hoek vast en probeert het tussen de andere uit te trekken zonder de hele hoop uit Zijne Alwetendheids handen te trekken. Je draait het om en je ogen beginnen koortsachtig naar woorden, letters, begrippen te zoeken. Het duurt even voor je door hebt wat je vragen zijn. En nog iets later besef je dat je het antwoord op één van de vragen niet weet. En plots is alles weg. Volledige leegte. Een wit vlak, een vacuüm. Alles wat je de voorbije dagen met alle geweld in je hoofd hebt geramd, is weg. Geen inhoudstafel meer, geen opvulling. Je maag trekt samen en je komt in ademnood. Je voelt je hart in je keel kloppen en kan niet meer slikken. Je tong voelt aan als een lap leer en het zweet breekt je langs alle kanten uit. En plots herinner je je iets. En nog iets. Je begint weer te ademen en begint aan je voorbereiding.

“Doe maar, juffrouw.” De voorbereidingstijd is om. Je moet jezelf bewijzen. De klus klaren. De uitdaging aangaan. En dat terwijl je het antwoord op die ene vraag nog altijd niet helemaal weet. Shit! Je eerste vraag verloopt redelijk goed. Hij knikt althans. Over het antwoord op zijn bijvraag moet je even nadenken, maar je weet het uiteindelijk wel. Goed zo. Op naar de tweede. Met brede handgebaren en een algemene toelichting van de leerstof probeer je te verbergen dat je het eigenlijke antwoord schuldig moet blijven. Je gebruikt termen waarvan je je herinnert dat ze in de cursus voorkwamen, maar niet precies meer wat ze betekenden. En dan ben je uitgeluld. Je hebt alle randinformatie gegeven die wel een aanleiding tot het antwoord is, maar niet het antwoord zelf en bent volledig uitgepraat over het onderwerp. “En dus?” Shit. Hij heeft je door. Je handen beginnen te zweten. Je begint krampachtig te herformuleren wat je net gezegd hebt, in de hoop dat je nog iets te binnen zal schieten. Maar het mag niet baten. “Allemaal goed en wel, juffrouw, maar wat impliceert dat dan?” De tranen springen in je ogen. Dit kan gewoon niet waar zijn. Je probeert na te denken, maar je hersenen weigeren dienst. Je opent je mond, maar er komt niks uit. Je hoofd is leeg. Enkel het belachelijke liedje dat je van de inhoudstafel hebt gemaakt op de melodie van “De kabouterdans” kan je je herinneren. Je kan kiezen. Of begint te zingen om te bewijzen dat je wel degelijk weet waar de cursus over gaat, of je geeft forfait. Je steekt de witte vlag omhoog. Je geeft je gewonnen. Je kiest voor de meest eervolle oplossing. Je gaat je niet belachelijk maken. “Dat is alles wat ik erover weet.” Je probeert er nog verontschuldigend bij te glimlachen, maar zowel het feit dat je liefst zou beginnen grienen als een klein kind als de wetenschap dat hij zich die glimlach van jou zou kunnen herinneren omdat je hem telkens wanneer hij je in zijn les bestraffend aankeek wanneer je met je buurvrouw zat te praten gebruikt hebt, vegen hem van je gezicht. “Dat is dan spijtig.” Het enige wat je nog kan doen, is met opeen geknepen lippen knikken om te voorkomen dat je in zijn bijzijn begint te huilen, je biezen pakken en het lokaal uitlopen. Eenmaal buiten, beginnen op precies hetzelfde moment de tranen te lopen als het antwoord je te binnen schiet.