vrijdag 13 februari 2009

zaterdag 7 februari 2009

Het tankstation


Het is gebeurd. De vernedering der vernederingen. De pijnlijkste der falingen, de ridicuulste der mislukkingen. Ik ben geflopt op macho-territorium. Al eenentwintig jaar ben ik bedreven in het ontwijken van deze plaatsen des onheil. Tot op de dag van vandaag ben ik daar altijd in geslaagd. Maar iemand heeft beslist dat het niet kon blijven duren.

Natuurlijk, het is al een paar keer kantje boord geweest. Zoals die keer dat ik geen mannelijk gezelschap bij de hand had om een drankje te bestellen. Wat doet een mens dan. Zijn stoute schoenen aantrekken en zelf aan de toog gaan staan. En de onvermijdelijke macho die daar gestationeerd staat proberen overbluffen. Of in mijn geval tien minuten stijlvol wachten tot iemand me ziet staan zonder dat ik me moet verlagen tot half over de toog hangend mijn bestelling brullen. De toog kan ik nog aan. Het tankstation werd daarentegen mijn ondergang.

Al zolang ik me kan herinneren, vind ik tankstations de meest uitgesproken macho-gebieden ter wereld. Auto’s zijn sowieso een mannenzaak. Niemand die dat betwist. Maar het gaat verder dan dat. Mannen die hun auto staan vol te tanken zijn ronduit intimiderend. Als de auto de egoboost is, is de tankslang het fallussymbool. En zelfs al gaat het om een wrak van een auto, dan nog is het voltanken ervan het reinste machtsvertoon. Slangen en gaatjes, meer heeft een man niet nodig om zichzelf bevestigd te zien.

Logischerwijs zou het voltanken van een auto de perfecte mogelijkheid kunnen zijn om je als vrouw op dezelfde hoogte te plaatsen als de man. Maar dat is het niet. Een vrouw met een slang, dat klopt gewoon niet. Bijgevolg wordt een vrouw in een tankstation gescreend als een hoer op café. Eén foute beweging, en de hele macho-gemeenschap weet weer waar ze voor staat. Met hun slangen. En laat mij nu die foute beweging gemaakt hebben. Schoonheidfoutjes als de dop vergeten dichtdoen voor je wegrijdt zijn pijnlijk, maar jezelf onder de benzine spuiten betekent je ondergang. Druipend van het vocht ben ik afgedropen, zonder een druppel in mijn tank.

Bij deze staat het vast: ik zet nooit nog een voet op macho-terrein. Emancipatie kan me gestolen worden. Ik de strijk, hij de tank. Zo simpel is het. In afwachting kan ik beweren druipende seks met een stoere garagist te hebben gehad. Want benzine, dat stinkt.

woensdag 4 februari 2009

De afwijzing

Ze droeg een onopvallende blouse, haar blonde haar zat in een braaf knotje en ze keek alsof ze me moest vertellen dat ik aan kanker leed. Gelukkig was dat niet zo. Dat zou pas een echte domper geweest zijn.

Haar slechte nieuws behelsde echter iets helemaal anders: mijn wiskundeknobbel was ‘niet helemaal’ ontwikkeld zoals ze hadden verwacht. Ik wist mijn opgeluchte schaterlach nog net te bedwingen. Die zou niet bij haar slecht-nieuws-gezicht gepast hebben. De situatie werd echter hoe langer hoe absurder, en ik kon een glimlach niet langer onderdrukken toen ik haar op haar gemak moest stellen. Het was heus niet erg. Ik weet al sinds ik zes was dat ik een absolute nul ben wat getallen en cijfers betreft, haar schuld was het dus zeker niet. De vrouw van het PMS op school - die ik in die tijd nog angstaanjagender vond de menstruele variant - wist ik na al haar jaren ervaring nog te verbazen met de kloof die zich bevond tussen mijn taal- en rekenvaardigheid. En ook nu, welgeteld negen jaar later, doet dat verschil nog steeds wenkbrauwen ten hemel rijzen. Wat ik als een compliment aan het adres van mijn taalvaardigheid beschouw. En aan mijn karakter. Want ondanks alles ben ik - wonder boven wonder - best goed in statistisch onderzoek.

Dus heus, beste werkgevers in spe. Het feit dat mijn wiskundige prestaties geen al te hoge toppen scheren, kwetst me intussen al elf jaar niet meer. Ik heb dan ook geen ambities in die richting. Voel u dus vrij me te wijzen op het feit dat ik voor dergelijke taken niet geschikt ben. Maar denk twee keer na vooraleer u mijn taalvaardigheid in vraag stelt.

zondag 1 februari 2009

Als

Als jij mij was
en ik was jou
zouden we dan elkaar zijn?

Of zouden we nog steeds onszelf zijn,
maar dan in omgekeerde evenredigheid?

zaterdag 24 januari 2009

Verwondering

Je staat erbij en kijkt ernaar. Je ogen lijken de jouwe niet meer wanneer je niet langer over de kracht schijnt te beschikken om ze weg te draaien. En dat hoeft ook niet. Wat je ziet is niet alledaags, althans niet voor jou. Anderen zien het elke dag en reageren er nog nauwelijks op, jij ervaart het als een wonder. Je stokte. Ik zag je gezichtsuitdrukking veranderen en wist dat praten geen zin meer had. De betovering moet zichzelf verbreken.

Ik blijf staan en word zoals steeds meegetrokken in de kronkels van je verkenningstocht. Ertegen vechten heeft geen zin. Terwijl we samen de rivier afdalen, besef ik dat je eigenlijk nog een kind bent. En dat je dat eigenlijk altijd zal blijven. Maar dat stoort me niet. Je leert me keer op keer dat de wereld eigenlijk zoveel mooier is dan volwassenen denken dat hij is. Wat je in een bepaald opzicht volwassener maakt dan zij. Ze zullen het niet toegeven, maar wij twee weten het. We weten het wanneer ze onbegripvol reageren op je nieuwste ontdekking. Ik weet het wanneer ik je daar doodgelukkig zie staan. Je hebt iets nieuws ontdekt en proeft er met volle teugen van. Je wereld wordt weer iets mooier. Het is ook wel een knappe verschijning, zelfs op de plaats waar we ons fysiek bevinden terwijl jouw gedachten elders zijn. Maar zo zit jij niet in elkaar. Jij beschikt over de gave om op een geheel eigenzinnige wijze te oordelen over mooi en lelijk. Je prikt zò door opgelegde wereldbeelden heen, omdat jouw universum zo helemaal anders in elkaar zit dan het onze. Je laat je niet bedotten. Ook al denken de meeste mensen dat ze je alles kunnen wijsmaken. Het lukt hen zelden. Jij bestaat op jezelf. Hetgeen zij als domheid beschouwen, maakt deel uit van jouw wijsheid. Wat jou boeit, laat hen onverschillig. Met het ouder worden raken zij hun zin voor schoonheid kwijt, het jouwe vermenigvuldigt zich dagelijks. Gelukkig ben je er mettertijd in geslaagd mij te betrekken in jouw wondere wereld, ook al was ik een trage leerling. Ik zou niet weten wat er anders van mij geworden was. Naar alle waarschijnlijkheid zou ik zijn weggezakt in een bodemloze depressie, zoals de meeste anderen in mijn leefwereld.

Ik voel dat je aan mijn mouw trekt. Je hebt je roes doorbroken en haalt me uit de mijne. “Mooi.” De meeste domme volwassenen zouden het als een vraag zien, maar ik weet dat het een antwoord is op de ongestelde vraag die minuten lang tussen ons in hing.

woensdag 21 januari 2009

Het kanaal

Het is zomer en het is drukkend warm. Langs het kanaal loopt een man. Hij is van middelbare leeftijd. Op het eerste zicht lijkt hij ietwat corpulent, maar als je beter kijkt zie je dat die indruk enkel gewekt wordt door een veel te wijde jas. Een jas met een raar model. Bij nader inzien veeleer een zak dan een jas. Rond zijn benen floddert iets wat in een vorig leven een geklede beige broek geweest moet zijn.

De man met de veel te wijde jas heeft geen hond bij zich, wat het excuus is van het overgrote deel van de mensen dat je hier treft. Daarnaast heb je de sportievelingen, voor wie de weg langs het kanaal de uitgelezen mogelijkheid is om de benen te strekken. De overige verdwaalde zielen komen tussen de struiken langs de weg iets helemaal anders strekken. Maar hen kom je overdag niet vaak tegen. En al helemaal niet op een zondagnamiddag als deze, wanneer de kade steevast enkele fervente vissers herbergt. Die komen hier immers niet om te vogelen.

In welke groep deze man thuishoort, is niet meteen duidelijk. Hoewel zijn jas iets anders doet vermoeden, loopt hij fanatiek over het verharde pad langs het kanaal. Hij huppelt haast. Het geheel resulteert in een verbluffende contradictio in terminis. Op zijn uiterlijk afgaand zou je vermoeden dat hij een kettingroker is, of anders een alcoholist. Iemand die zijn leven verziekt heeft en niet goed weet hoe hij het weer op de rails kan krijgen. Niet als iemand die de energie bezit om over een pad te dansen.

Naast het paadje langs het kanaal zit een meisje. Een jonge vrouw. Ze kijkt bedrukt voor zich uit. Onder haar strakke kleding tekent zich een gezond lichaam af. Ook zij heeft noch een hond, noch een hengel bij zich. Bijgevolg is het evenmin duidelijk waarom zij hier zit.

Een paar meter van het meisje vandaan zit een man te vissen. Hij moet eind de vijftig zijn. Hij draagt groene rubberlaarzen en een verschoten rood vissershoedje. Zijn bodywarmer is vuilgeel. Hij ziet eruit als een verkeerslicht. Niet dat hij zich daar iets van aantrekt. Tot enkele jaren geleden zou hij in die kleren nooit ofte nimmer de deur uit zijn gegaan. Maar nu hij impotent is, doet het er allemaal niet meer toe. Niet dat hij zich met zijn lot verzoend heeft. Integendeel. Hij zou niets liever willen dan eens stevig van bil gaan. Maar aangezien dat niet meer lukt, wil hij er zo min mogelijk aan herinnerd worden. Daarom zit hij hier. Hier is het veilig.

De man met de wijde jas en de in een vroeger leven geklede beige broek dartelt de richting van de jonge vrouw uit. Door het op-en-neer gehos is zijn hoofd rood aangelopen. Het kettingroken mag, gezien het feit dat hij amper veertig seconden eerder beginnen huppelen is, toch niet volledig uitgesloten worden. Tegen de tijd dat hij het meisje bereikt, ziet hij eruit als een dronken tuinkabouter.

Het meisje kijkt hem geringschattend aan wanneer hij amper twee meter voor haar voeten bruusk halt houdt. Het zweet staat in druppels op zijn voorhoofd. Hij buigt voorover en gaat met de handen op de knieën staan uithijgen.
“Zo olijk?”
De man kijkt op. Van zijn gezicht valt niet af te lezen of hij haar al eerder had opgemerkt.
“Inderdaad.”
Hoewel hij klinkt alsof hij een rasp in zijn keelgat heeft zitten, weet hij het woord trots uit te spreken. Triomfantelijk bijna.
“Proficiat. Ga zo verder.”
Het is duidelijk een uitdaging. Alsof ook het meisje verwacht dat een halve minuut langer huppelen zijn dood zal betekenen.
“Alles op zijn tijd. Je mag gerust meedoen. Je ziet eruit alsof je het wel kan gebruiken.”
Een moment lang lijkt het alsof ze gekwetst is door zijn opmerking. Alsof zijn opgewekte rokerslongen het in haar ogen winnen van haar fitte, maar sombere lichaam.
“Huppel op.”
Zijn wenkbrauwen gaan een tikje omhoog.
“Ook goed.”
Het genoegen om zijn humeur te verpesten gunt hij haar niet. Hij maakt aanstalten om verder te huppelen.
“Nee, wacht.”
Op zijn hoede draait hij zich om. Dit heeft hij al eerder meegemaakt. Wispelturige vrouwen zijn vaak gevaarlijker dan manisch depressieve gijzelaars.
“Ja?”

Zij kijkt hem doordringend aan. Hij vindt dat vrouwen een vervelende manier hebben om anderen hun mening op te leggen. Maar dat neemt niet weg dat het bedroevend is dat een knappe verschijning als zij somber zit te wezen aan de oever van het kanaal. Net nu hij zo vrolijk is. Zij merkt op dat er onder de te wijde jas en de verschoten broek geen bierbuik zit.
“Ik weet wat.”
Terwijl ze hem nog steeds doordringend aankijkt, schuifelt ze op haar achterwerk de struiken in. Hij kan het niet bevatten.
“Misschien kom je daar beter terug uit,” probeert hij.
Zij vraagt zich af hoe een raspende kreun klinkt. Ze besluit dat ze erachter wil komen. Wanneer er geen antwoord komt, besluit hij om haar achterna te gaan. Ten slotte kwam hij vieren dat het door en door slechte hart van zijn schoonmoeder het die morgen na vijfenzestig jaar genadeloos getikt te hebben eindelijk begeven had. En dit is de mooiste viering die hij zich kan indenken. Zijn schoonmoeder draait zich om in haar kist. Net goed. Op handen en knieën kruipt hij achter het meisje aan. De idee van wat komen gaat wordt steeds aanlokkelijker. Tot hij iets aan zijn enkel voelt trekken.

“Wie daar?”
“Kan u uit die struik komen?”
Achterstevoren kruipt de man met de wijde jas opnieuw tussen de struiken uit.
“En u bent?”
Eigenlijk is het een domme vraag. De man die boven hem uit torent draagt groene rubberlaarzen, een verschoten rood vissershoedje en een vuilgele bodywarmer. Hij ziet eruit als een verkeerslicht. Dit had de man met de wijde jas kunnen verwachten. Die hengelaars komen hier immers niet om te vogelen. De man met de rubberlaarzen wijst naar het meisje, dat nog steeds tussen de struiken zit.
“Kom jij er ook maar uit. En ga naar huis. Moeder heeft viskes gebakken.”

zondag 18 januari 2009

Emotieloos

Uit de blik in je ogen had ik moeten opmaken wat er in je omging. Een blinde kon het zien. Maar omdat een aanval van acute emotieloosheid me voor de zoveelste keer in zijn greep hield, maakte ik er helemaal niets uit op. Behalve het feit dat je naar me keek, dan. En dat de wal onder je rechteroog donkerder was dan die onder je linker. Dat deelde ik je dan ook mee. Op het toontje dat ik zo goed van Jan Becaus heb afgekeken. Al zeg ik het zelf.

Soms heb ik echt respect voor de kalmte die je steeds opnieuw aan de dag weet te leggen. Ik zou het, achteraf gezien, wanneer ik weer normaal kan denken en voelen, namelijk volkomen begrijpen dat je antwoord op die volledig misplaatste mededeling zou hebben bestaan uit een goedgeplaatste rechtse. Maar in plaats daarvan haalde je voor zowat de vierduizendtweehondervijfenzestigste keer sinds je me kent diep en dapper adem en deelde je me rustig mee dat die wallen er steeds donkerder uit beginnen zien omdat ik je je slaap niet gun met mijn kuren en dat je rechteroog waarschijnlijk gevoeliger is dan je linker. En nog steeds drong het niet door. Eigenlijk zou je me die rechtse best wel mogen verkopen op zo’n moment. En als iemand je zijn linkerkaak biedt… Het komt erop neer dat ik, achteraf gezien, wanneer ik weer normaal kan denken en voelen, wel inzie dat mijn reactie weer niet correct was. Ik weet wel dat een glimlach een warme blik terug verdient en een traan een troostend woord. Dat weet ik allemaal wel. Ik weet alleen niet goed hoe ik die dingen in praktijk moet omzetten. Meestal heb ik pas door dat je verdrietig bent wanneer je na een tijd weer lacht. En sinds die ene keer, toen je opnieuw en nog harder dan eerst in gele snotter en zout vocht bent uitgebarsten, vraag ik eens je terug lacht nooit meer naar het waarom van je verdriet. Ook al heb ik daarom op die ene keer na nog nooit geweten wat je dwars zat. Het grootste deel van de tijd zit ik daar niet mee in en ben ik al lang blij dat je met een natte glimlach verklaart dat ik je als geen ander kan opbeuren. Dat betekent namelijk dat ik een verborgen talent heb. Iets waar ik op heldere emotionele momenten best trots op ben.

Maar toch heb ik soms het gevoel dat die rake rechtse niet onverdiend zou zijn. Al was het maar omdat mijn linkeroog dan even donker omrand zou zijn als het jouwe.

zaterdag 17 januari 2009

Tijd heelt (niet)

Een mens zou denken dat het met de tijd beter gaat. Want tijd zou alle wonden helen. Dat zegt met althans.

Wel, ik moet zeggen. Het is niet zo. Tijd heelt niet. Het doet enkel vergeten. Dat tijd zou helen, is een grove misvatting. Een zoethouder. “Geef het wat tijd, het betert heus wel.” Lulkoek. Het enige wat er na verloop van tijd gebeurt, is dat je vergeet hoe erg het was. Hoeveel verdriet je had. Hoe hard je gehuild hebt.

Toegegeven, vergeten kan ook deugd doen. De pijn slijt niet, je duwt ze enkel weg achter mooie herinneringen. Het geheugen is een lieve man. Of dat maken we ervan. Want tijd heelt niet. Dat zegt men enkel. Om te kunnen vergeten.

maandag 22 december 2008

De hik

De hik ontsnapt me op een onverwacht moment en blijft even boven de tafel hangen, om dan langs het raam naar buiten te vliegen. Het zevenjarige meisje op wie ik aan het babysitten ben, kijkt me van boven haar bord beschuldigend aan: “Ik ben wel aan het eten!” Totaal verbijsterd vergeet ik te antwoorden dat de klodder spuug die ze zonet nog over de tafel heen naar haar broer heeft gekatapulteerd mijn eetlust evenmin aanwakkert.

Kinderen zijn soms verbazend ad rem. Wanneer je het niet verwacht, halen ze je met behulp van een goedgeplaatste uppercut vliegensvlug onderuit. En omdat de waarheid uit een kindermond komt, ben je meestal zo van je melk dat het onmogelijk is om hen van antwoord te voorzien. De uitdagende grijns die ze je toewerpen wanneer ze beseffen dat ze gescoord hebben, is onuitstaanbaar. Je zou voor minder hysterisch gillend met je armen boven je hoofd rondjes beginnen lopen. Maar omdat dat des te meer zou benadrukken dat die kleine gewonnen heeft, hebben volwassenen er iets anders op gevonden. Ze trekken hun gezicht in de plooi, wat soms gepaard gaat met het omlaag schieten van de mondhoek(en), en zeggen iets in de trend van “Juist ja”, waarna ze zogenaamd onverstoorbaar verder gaan met wat ze bezig waren. Of ze zeggen helemaal niets en veinzen een plotselinge interesse voor het dichtstbijzijnde object, of dat nu een stofje of een olifant is. Enkele dappere exemplaren gaan de strijd aan door te trachten het euvel met humor te maskeren, maar meestal zijn ze genoodzaakt daarmee te stoppen wanneer het kind, dat zich aangemoedigd voelt door zoveel optimisme, euforisch gillend voet bij stuk houdt.

Het grootste deel van de tijd behoor ik tot de groep van de stofjes en de olifanten. En soms, wanneer ik in een goede bui ben, durf ik de confrontatie aangaan. Om uiteindelijk via bovenstaand scenario grandioos het onderspit te moeten delven. De sterkte van een kind zit hem in de onbezonnenheid. Politieke correctheid zal hen een worst wezen. Op die manier walsen ze je meestal rechttoe, rechtaan helemaal plat. Gelukkig bestaat er nog zo iets als gezag. Wanneer het echt gênant dreigt te worden, kan je het “onhandelbare ding” nog altijd in de hoek zetten om af te koelen. Dat zal ze leren!

Maar hoewel het lachen hen in die hoek uiteindelijk wel vergaat, hebben je eergevoel en je eigenwaarde - diep vanbinnen - de zoveelste flinke deuk gekregen.

woensdag 17 december 2008

Raar

Weet je wat raar is? Dat je soms hetzelfde denkt als ik, maar toch anders. Alsof je het zaadje van mijn gedachten uit mijn hoofd hebt gestolen, maar het op een andere manier hebt laten kiemen. Zodat de stam en de takken van onze gedachten hetzelfde zijn, maar de blaadjes bij het ontkiemen niet dezelfde kleur blijken te hebben.

Weet je wat ook raar is? Dat ik soms niet weet in welke mate een bepaalde mening de mijne is. Alsof mijn mening gemeenschap gehad heeft met de jouwe. Waardoor ik me afvraag of ze in verwachting zou kunnen zijn van een mening die noch de jouwe, noch de mijne is en toch van ons beide is.

Weet je wat nog raarder is? Dat ik er niet altijd zeker van ben dat je niet in mijn hoofd zit en bijgevolg alles mee kan beleven. Want soms heb je die blik in je ogen, alsof je sommige dingen al weet. Terwijl je ze niet kan weten. Dat weet ik wel zeker.

En weet je wat het raarst is? Dat ik niet kan beslissen of dit alles raar of normaal is.

Metro

Het meisje stapte op en keek om zich heen met de taxerende blik van iemand die een zitplaats zoekt. Al gauw zag ze dat die er niet in zat. Dus vatte ze plaats naast een ietwat verward uitziende dertiger met een rond brilletje op zijn neus en een leren tas in zijn hand. In zijn andere hand hield hij wat papieren, waar zijn ogen een weg door zochten. Zijn benen stonden gespreid en zijn knieën waren licht gebogen, zodat hij de bewegingen die de metro maakte kon opvangen zonder zijn evenwicht te verliezen. Onwillekeurig onderdrukte ze een lach. Met de metro rijden was net een sport. Een uurtje metro per dag, en je bleef fit. Om te voorkomen dat de man zou denken dat ze hem stond uit te lachen, draaide ze haar hoofd de andere kant op. En toen zag ze hem.

Hij had donkerblond haar dat losjes tot net boven zijn oren viel, ogen die licht schenen te geven en brede schouders. En hij grijsde zijn perfecte gebit bloot terwijl hij haar in de ogen keek. Hij stond een drietal meter van haar vandaan, en het was duidelijk dat hij haar buurman best grappig vond. Dat ze eigenlijk niet de bedoeling had gehad de man uit te lachen, vergat ze op slag. Haar glimlach werd iets verlegener en ook zijn grijns werd gewoon vriendelijk. Nu het contact was gelegd, wist ze niet goed wat ze ermee aan moest. Dus draaide ze haar hoofd weer weg.

De metro had enkele stops gemaakt toen ze zich begon af te vragen of haar focus op de rechterkant van de wagon terwijl hij aan de linkerkant stond niet raar zou overkomen. Dus stelde ze zich wat losser op en liet haar hoofd de bewegingen van haar medepassagiers volgen. Ze had geluk. Eén van hen liep langs haar heen, Zijn kant uit. Ze achtervolgde de tiener met haar ogen, tot die Hem kruiste. Hun blikken haakten zich opnieuw in elkaar vast. Ze trok haar mondhoeken op naar een bijna onmerkbare glimlach, die hij enkel met zijn ogen beantwoordde. Maar die ogen… Ze voelde zich zwijmelen. Gelukkig werd de betovering verbroken door zijn GSM. Ze wist niet goed hoe ze zichzelf een houding moest geven onder zijn aandacht. Hij begon te praten en ze keek toe hoe een jonge moeder de buggy met haar zoontje in langs hem heen de wagon in manoeuvreerde. Eens ze binnen was, boog ze zich over haar zoontje heen om zijn jasje los te maken. Hoewel ze naar de handelingen van de jonge vrouw keek, voelde ze zijn blik op haar rusten. Maar ze moest zich focussen. Veel zou een derde onzekere glimlach niet meer bijdragen aan de spanning die in de lucht tussen hen in hing, integendeel. Ze kon hem dus beter niet nog eens aankijken. Haar hoofd opnieuw wegdraaien wilde ze echter niet, omdat het contact daarmee opnieuw volledig verbroken zou worden. Plots lachte hij hard om iets wat de beller zei. Ze keek op. Hij lachte haar breed toe en zij lachte bijna even breed terug, ook al wist ze dat ze niets te maken had met de reden waarom hij lachte. Ze keek naar het bord boven zijn hoofd. Nog drie haltes en ze moest uitstappen. Ze had er nog niet bij stilgestaan dat de metrorit en hun tijd samen elk moment kon eindigen. Ze wist helemaal niet waar hij zou uitstappen. Enkele seconden koesterde ze de hoop dat hij samen met haar uit de metro zou stappen en haar zou aanspreken, maar ze besefte dat de kans dat dat zou gebeuren klein was. Ze overliep de mogelijkheden die ze had, maar verwierp ze één voor één. Haar sjaal voor zijn voeten laten vallen lag er te dik op, tegen hem aanbotsen was te gênant en de gedachte dat ze hem zou aanspreken alleen al kneep haar keel dicht. Ze zou niet eens weten wat ze moest zeggen.

“Mérode” klonk de vrouwenstem door de luidsprekers. Shit! Ze moest eruit en wist nog altijd niet wat ze moest doen. Ze keek opnieuw zijn richting uit, in de hoop dat de paniek niet in haar ogen te lezen stond. Ze zag hem niet, tot ze begreep dat hij met zijn rug naar haar toe stond, zijn gezicht naar de deur gericht. Haar hart maakte opnieuw een sprong. Hij moest er ook uit! Toen ze zich naar de deur bewoog, leken haar benen van elastiek. Ze durfde niet naar de deur te lopen waar hij voor stond, dat zou te hard opvallen. Terwijl de metro vaart minderde, zag ze in haar linker ooghoek hoe hij zijn hoofd naar haar toe draaide en naar haar keek. Ze had amper kracht genoeg om de deuren te openen en was blij dat ze haar sjaal kon vasthouden, zodat ze het trillen van haar handen onder controle kon houden. Eenmaal op het perron wist ze niet goed waar heen. Eigenlijk moest ze zijn kant uit, maar ze durfde niet goed. Er botste iemand tegen haar aan. Ze moest beslissen. Ze draaide een kwartslag naar links en begon zijn kant uit te lopen. Hij liep opvallend traag. Ze versnelde haar pas lichtjes om de achterstand in te halen. Eindelijk liep ze naast hem. Ze paste haar snelheid opnieuw aan zodat ze hem niet voorbij zou razen en voelde haar hart in haar keel kloppen. Ze zag dat hij net als zij lichtjes het hoofd boog, om het tenslotte naar haar toe te draaien.

“Hallo.” Zijn stem klonk diep en warm. En ietwat onzeker, wat ze ontzettend schattig vond. Ook zij draaide haar hoofd.
“Hallo.” Ze glimlachten naar elkaar. Opnieuw liet hij zijn mooie stem klinken: “Ik ben –“
“Vervoersbewijs alstublieft?” Ze stopten abrupt. Het duurde enkele seconden voor ze doorhad dat ze op de tenen van de controleur stond. Helemaal in de war stapte ze er snel weer af en zocht ze haar portefeuille. Nog steeds met trillende handen hield ze haar abonnement omhoog. De man knikte kort.
“En jij, jongeman?”
“Ik euhm…”
“Ben het vergeten, zeker?” Ze keek Hem met licht open mond aan, niet in staat iets te zeggen. Ook hij zei niets en keek naar de grond.
“Zou u willen meekomen, dan?” De man nam Hem bij de arm en leidde hem naar een muur, waar enkele collega’s stonden te wachten. Terwijl hij wegliep keek Hij met een mengeling van spijt en schaamte in zijn mooie ogen naar haar om. Ze kende niet eens zijn naam.

dinsdag 16 december 2008

Soms

Soms,
soms lijkt het
alsof mijn hoofd uiteen zal spatten
als ik niet meteen een kus
op je lippen kan drukken.

Alsof het zonder niet langer
kan blijven bestaan.

Op zo’n momenten
ben ik leeg en vol tegelijk.
Leeg van mezelf en vol van jou.
Vol van jou en leeg vanbinnen
tot je lippen me opnieuw
vol leven blazen.

Dan ben ik weer vol
vol van mezelf
en vol van jou.

Maar als een kus niet lukt
omdat je niet bij me bent
weet ik al snel
dat niets is wat het lijkt.

Want mijn hoofd
heb ik nog steeds.