Het plan had onfeilbaar geleken: ik zou mijn batterijen opladen in de wijde natuur en als herboren naar huis terugkeren. Na amper vijf minuten bleek echter dat ik één detail over het hoofd had gezien: moeder natuur laat zich niet manipuleren.
De zon, die er in mijn fantasieën overvloedig aan te pas kwam, was ver te zoeken. In plaats daarvan sierden donkere, dreigende wolken de hemel. Een plensbui is een eufemisme voor het noodweer dat amper achthonderdvijfentwintig meter van het vertrekpunt losbrak. Gelukkig was ik op alles voorzien. Uitgedost als een levensgrote PMD-zak zette ik mijn weg verder. De uitroepen die ik onderweg oogstte, klasseerde ik als aanmoedigend.
Doornat en uitgeput kwam ik ’s avonds op het kampeerterrein aan. Eten en overnachten in de buitenlucht zouden vast een helend effect hebben. Effect hadden ze zeker, ware het niet helemaal zoals gewenst. Mijn tupperwaremaaltijd en plastic vork zonken in het niets bij de professionele vuurstellen en eetgerei van ervaren kampeerders en de grond – ofschoon deze zompig was geworden door de overvloedige regenval – voelde harder en kouder aan dan verwacht. De volgende morgen werd de tocht dan ook voortijdig afgeblazen, wegens lichamelijke en geestelijke oververmoeidheid.
Het was echter niet allemaal kommer en kwel; de wonderen der natuur werden me niet onthouden. Wat begon als een knellende schoen, eindigde in een blein met de afmetingen van een wijd uit elkaar gespatte vogelstront met wonderlijke kleurschakeringen. Ook leerde ik enkele waardevolle lessen over mezelf: PMD- zakken flatteren mijn figuur niet en de natuur intensief bewonderen is niet bevorderend voor mijn gemoedstoestand.
zaterdag 16 mei 2009
vrijdag 1 mei 2009
Karakter(loos)
Ik wilde me sterk houden. Tonen dat ik een vrouw met ballen ben. Vooral niet onderdoen voor mijn mannelijke metgezel en de horror overleven. Op het eerste zicht slaagde ik daar wonderwel in. Ik kreeg zelfs complimenten. Maar ik had beter moeten weten. Eens de nacht viel, verschrompelde ik tot een bevend, angstig wezentje.
Het is steeds hetzelfde liedje: ik wil me spiegelen aan anderen en algemeen aanvaarde stereotypen. Ik wil net zo knap, slim, belezen, zorgeloos, culinair aangelegd, op de hoogte van de nieuwste films, fotogeniek, perfect gelukkig, sociaal vaardig, slank, goedlachs en assertief zijn als de perso(o)n(en) in wiens gezelschap ik me bevind. Anderen lijken er moeiteloos in te slagen, ik heb er de grootste moeite mee. Zo lang ik kan probeer ik het vol te houden. Volkomen slagen in mijn opzet lukt echter nooit. Op het moment dat ik besef dat ik door de mand gevallen ben, zakken mijn schouders samen met mijn moraal als een lappenpop in elkaar en klap ik volledig dicht.
Deze keer wilde ik echter volhouden tot het bittere einde. En bitter was het zeker. Anderhalf uur, liters bloed en ettelijke angstaanvallen na de eerste verschrikkelijke minuten was ik in mijn opzet geslaagd. De pluim die ik kreeg (“Ik had nooit gedacht dat je dit zou aankunnen!”) wuifde ik met een glimlach weg. Geen probleem, toch!
Een probleem was het inderdaad niet geweest als ik er anderhalf uur lang in geslaagd was mijn zicht en gehoor van de buitenwereld af te sluiten. Jammer genoeg was dat niet gelukt, met enkele slapeloze, angstige nachten tot gevolg.
Een mens zou denken dat hij leert uit zijn fouten. Niets is echter minder waar. Volledig gelukkig zijn met wie ik ben, heb ik ondanks alles nog steeds niet geleerd. In afwachting probeer ik nog steeds te zijn wie anderen graag willen dat ik ben.
Het is steeds hetzelfde liedje: ik wil me spiegelen aan anderen en algemeen aanvaarde stereotypen. Ik wil net zo knap, slim, belezen, zorgeloos, culinair aangelegd, op de hoogte van de nieuwste films, fotogeniek, perfect gelukkig, sociaal vaardig, slank, goedlachs en assertief zijn als de perso(o)n(en) in wiens gezelschap ik me bevind. Anderen lijken er moeiteloos in te slagen, ik heb er de grootste moeite mee. Zo lang ik kan probeer ik het vol te houden. Volkomen slagen in mijn opzet lukt echter nooit. Op het moment dat ik besef dat ik door de mand gevallen ben, zakken mijn schouders samen met mijn moraal als een lappenpop in elkaar en klap ik volledig dicht.
Deze keer wilde ik echter volhouden tot het bittere einde. En bitter was het zeker. Anderhalf uur, liters bloed en ettelijke angstaanvallen na de eerste verschrikkelijke minuten was ik in mijn opzet geslaagd. De pluim die ik kreeg (“Ik had nooit gedacht dat je dit zou aankunnen!”) wuifde ik met een glimlach weg. Geen probleem, toch!
Een probleem was het inderdaad niet geweest als ik er anderhalf uur lang in geslaagd was mijn zicht en gehoor van de buitenwereld af te sluiten. Jammer genoeg was dat niet gelukt, met enkele slapeloze, angstige nachten tot gevolg.
Een mens zou denken dat hij leert uit zijn fouten. Niets is echter minder waar. Volledig gelukkig zijn met wie ik ben, heb ik ondanks alles nog steeds niet geleerd. In afwachting probeer ik nog steeds te zijn wie anderen graag willen dat ik ben.
maandag 27 april 2009
Positief denken (2)
donderdag 23 april 2009
Positief denken
Ik moest positief denken van de dokter. Dat zei hij. “Je moet positief denken, kind.” Ik had niks te willen.
Hij vond dat ik er soms zo’n negatieve gedachten op nahield. Zoals die keer dat ik hem ei zo na onderkotste omdat hij zijn houten palletje net iets te diep in mijn keel stak. Ik schaamde me dood en wilde me halfnaakt het kabinet uit haasten, hij haalde enkel zijn schouders op.
Het ging met vallen en opstaan.
“Positief denken kan je leren.”
“Hoe dan?”
“Denk het omgekeerde van je initiële gedachte.”
Makkelijk zat, dacht ik. Amper zes dagen later zat ik opnieuw voor zijn neus. Ontkennen dat het pijpenstelen regende, had geen zin gehad. De keelontsteking die ik tijdens mijn “zonnige dag” opgelopen had negeren, lukte evenmin.
Ik mocht niet in extremen vervallen. Dat was een moeilijke. De gulden middenweg is een smal paadje over steile rotsen, zo leerde ik. Ik ondervond het aan den lijve toen een oerlelijke vrouw straalde onder mijn regen aan complimenten, terwijl haar knappe vriendin me naarmate de tijd en het aantal lovende woorden vorderden steeds donkerder blikken toewierp en ten slotte met haar naaldhak op mijn teen ging staan.
Hoewel het veel tijd, moeite, zweet en tranen kost, had de dokter gelijk. Positief denken kan je leren. En je wordt er gelukkiger van ook. Iemand ei zo na onderkotsen is minder erg dan het daadwerkelijk doen. Als het regent blijf je best binnen wachten op de zonneschijn die ongetwijfeld komt. En de omlaag krullende mondhoeken van je geliefde wanneer zijn hand stoppels op je been ontdekt, duiden enkel op een onverwachte maar niet zozeer onaangename verrassing. Zo zie je maar.
Hij vond dat ik er soms zo’n negatieve gedachten op nahield. Zoals die keer dat ik hem ei zo na onderkotste omdat hij zijn houten palletje net iets te diep in mijn keel stak. Ik schaamde me dood en wilde me halfnaakt het kabinet uit haasten, hij haalde enkel zijn schouders op.
Het ging met vallen en opstaan.
“Positief denken kan je leren.”
“Hoe dan?”
“Denk het omgekeerde van je initiële gedachte.”
Makkelijk zat, dacht ik. Amper zes dagen later zat ik opnieuw voor zijn neus. Ontkennen dat het pijpenstelen regende, had geen zin gehad. De keelontsteking die ik tijdens mijn “zonnige dag” opgelopen had negeren, lukte evenmin.
Ik mocht niet in extremen vervallen. Dat was een moeilijke. De gulden middenweg is een smal paadje over steile rotsen, zo leerde ik. Ik ondervond het aan den lijve toen een oerlelijke vrouw straalde onder mijn regen aan complimenten, terwijl haar knappe vriendin me naarmate de tijd en het aantal lovende woorden vorderden steeds donkerder blikken toewierp en ten slotte met haar naaldhak op mijn teen ging staan.
Hoewel het veel tijd, moeite, zweet en tranen kost, had de dokter gelijk. Positief denken kan je leren. En je wordt er gelukkiger van ook. Iemand ei zo na onderkotsen is minder erg dan het daadwerkelijk doen. Als het regent blijf je best binnen wachten op de zonneschijn die ongetwijfeld komt. En de omlaag krullende mondhoeken van je geliefde wanneer zijn hand stoppels op je been ontdekt, duiden enkel op een onverwachte maar niet zozeer onaangename verrassing. Zo zie je maar.
woensdag 15 april 2009
Verbaasd
Eerst breekt je pijp, daarna je klomp, en dan breekt ten slotte het moment aan dat je nergens meer van opkijkt.
(Christophe Vekeman)
(Christophe Vekeman)
vrijdag 10 april 2009
De pop
Het is allemaal zo snel gegaan. Het ene moment was ik hot, het volgende volledig not.
Het begon nochtans veelbelovend: de wederhelft had een geduldige shopdag. Hij vond het niet irritant dat ik die ene vest zo’n vijf keer aan- en uitgetrokken heb, hem combineerde met verschillende bloesjes en minstens zeventien keer voorbij de spiegel gelopen ben (waarvan vier verschillende spiegels, om het effect van lichtinval op de stof te kunnen inschatten), om uiteindelijk te beslissen dat mijn schouders er te breed in uitkwamen. Goedgeluimd liep hij achter me aan de volgende winkel binnen, waar het ritueel zich herhaalde. Met een ander vestje, weliswaar. Toen ik me omdraaide om zijn mening te horen over de ruches op het bloesje dat ik in mijn handen hield (zou ik er niet uitzien als een eerste communicantje?), sloeg echter de bliksem in.
Het eerste wat me opviel, was dat hij meer dan de gebruikelijke anderhalve kledingwinkelmeter van me verwijderd was. Vervolgens viel mijn oog op wat hij aan het doen was. Mijn gezichtsveld werd helemaal zwart, om vervolgens spierwit weg te trekken. Net als mijn gezicht, waarschijnlijk. De pop waar hij voor stond, droeg een leren vest en poseerde met de handen op de heupen. Met zijn wijsvinger en duim mat hij de belachelijk kleine omtrek van haar pols. Zijn blik gleed goedkeurend over haar heupen. Heupen waar onmogelijk een kind doorheen kon, maar die desalniettemin veel beter oogden dan mijn overrijpe peerexemplaren.
Niet wetend wat gedaan, draaide ik me om en probeerde ik mijn weg te vervolgen alsof ik niets gezien had. Als het me tijdens mijn klunzige pirouette (mijn gezichtsveld was nog steeds niet helemaal helder) was opgevallen dat mijn handtas zich vasthaakte in een kledingsstuk, was ik daar waarschijnlijk in geslaagd. Helaas lieten de condities me niet toe zo opmerkzaam te zijn, en dus trok ik in mijn poging me zo snel mogelijk van het doembeeld te verwijderen het hele rek kleren met me mee. Temidden van een hoop kleren en tientallen nieuwsgierige blikken, sprongen het schaamrood op mijn wangen en de tranen in mijn ogen.
De wederhelft kwam lachend op me af en begon me te helpen. Eens de schade hersteld was, keek hij me lachend aan. In slow motion zag ik zijn hand mijn richting uitkomen, op weg naar mijn onderrug. Angstvallig sprong ik achteruit. Zo snel ik kon liep ik de winkel uit, weg van zijn beoordelende ogen, het vestje, de blouse met ruches en de trut van een perfect geschapen pop die mijn zelfvertrouwen aan diggelen geslagen had.
Het begon nochtans veelbelovend: de wederhelft had een geduldige shopdag. Hij vond het niet irritant dat ik die ene vest zo’n vijf keer aan- en uitgetrokken heb, hem combineerde met verschillende bloesjes en minstens zeventien keer voorbij de spiegel gelopen ben (waarvan vier verschillende spiegels, om het effect van lichtinval op de stof te kunnen inschatten), om uiteindelijk te beslissen dat mijn schouders er te breed in uitkwamen. Goedgeluimd liep hij achter me aan de volgende winkel binnen, waar het ritueel zich herhaalde. Met een ander vestje, weliswaar. Toen ik me omdraaide om zijn mening te horen over de ruches op het bloesje dat ik in mijn handen hield (zou ik er niet uitzien als een eerste communicantje?), sloeg echter de bliksem in.
Het eerste wat me opviel, was dat hij meer dan de gebruikelijke anderhalve kledingwinkelmeter van me verwijderd was. Vervolgens viel mijn oog op wat hij aan het doen was. Mijn gezichtsveld werd helemaal zwart, om vervolgens spierwit weg te trekken. Net als mijn gezicht, waarschijnlijk. De pop waar hij voor stond, droeg een leren vest en poseerde met de handen op de heupen. Met zijn wijsvinger en duim mat hij de belachelijk kleine omtrek van haar pols. Zijn blik gleed goedkeurend over haar heupen. Heupen waar onmogelijk een kind doorheen kon, maar die desalniettemin veel beter oogden dan mijn overrijpe peerexemplaren.
Niet wetend wat gedaan, draaide ik me om en probeerde ik mijn weg te vervolgen alsof ik niets gezien had. Als het me tijdens mijn klunzige pirouette (mijn gezichtsveld was nog steeds niet helemaal helder) was opgevallen dat mijn handtas zich vasthaakte in een kledingsstuk, was ik daar waarschijnlijk in geslaagd. Helaas lieten de condities me niet toe zo opmerkzaam te zijn, en dus trok ik in mijn poging me zo snel mogelijk van het doembeeld te verwijderen het hele rek kleren met me mee. Temidden van een hoop kleren en tientallen nieuwsgierige blikken, sprongen het schaamrood op mijn wangen en de tranen in mijn ogen.
De wederhelft kwam lachend op me af en begon me te helpen. Eens de schade hersteld was, keek hij me lachend aan. In slow motion zag ik zijn hand mijn richting uitkomen, op weg naar mijn onderrug. Angstvallig sprong ik achteruit. Zo snel ik kon liep ik de winkel uit, weg van zijn beoordelende ogen, het vestje, de blouse met ruches en de trut van een perfect geschapen pop die mijn zelfvertrouwen aan diggelen geslagen had.
zaterdag 28 maart 2009
Het meisje
Ze was het soort meisje dat je van meters afstand opmerkt. Mijn onbeschaamde puber van een broer zou haar een killerwijf, of anders een zalig mokkel (met langgerekte a) genoemd hebben, ik hou het liever iets beschaafder. Zijn uitroep, al dan niet gepaard gaande met een vette knipoog en/of een niet mis te verstane heupbeweging, zou het typische mannelijke jachtinstinct verwoorden. Mijn woordcombinatie, een sneer vergezeld door een minachtende blik, al dan niet gepaard gaande met een opgetrokken wenkbrauw, geeft op haar beurt uiting aan de typisch vrouwelijke jaloezie.
Ik rechtte mijn rug en zorgde ervoor dat ik pal in het gezichtsveld van mijn vriendje ging zitten. Om me heen zag ik verschillende vrouwen hetzelfde doen. Ik hield me muisstil en keek hem recht aan, geïnteresseerd knikkend bij zowat elk woord dat uit zijn mond kwam. Verschillende lotgenoten probeerden het anders. Naarmate het meisje dichterbij kwam, schuifelden sommigen op het gevaarlijke af heen en weer over hun stoel, in een poging het hele gezichtsveld van hun partner op te vullen. De vrouw aan het tafeltje naast me zag eruit alsof ze aan het aerobiccen was. Voorzichtig, mijn blik strak gefocust op zijn ogen, schoof ik wat bij haar vandaan. Het laatste wat ik kon gebruiken, was haar elleboog in mijn gezicht.
Zich maar al te goed bewust van de golf aan reacties die ze aan haar publiek ontlokte, heupwiegde het meisje veel te langzaam voorbij de tafeltjes. Sommige ongelukkigen zaten in de verkeerde richting en begrepen pas waar hun mannelijke metgezel naar aan het kijken was wanneer het te laat was. Stuk voor stuk vertrokken hun gezichten en was de rest van hun namiddag volledig verpest.
In mijn ooghoeken zag ik haar naderen. Voor zover dat nog niet het geval was, spande ik elke spier in mijn rug op en concentreerde ik me op het intussen onbegrijpelijk geworden verhaal dat mijn vriend nog steeds aan het vertellen was. De vrouw naast me had er niks beter op gevonden dan op het laatste nippertje haar vent aan zijn kraag tot halverwege het tafeltje te trekken en hem op zijn mond te kussen. Voor die last minute reddingsactie was het in mijn geval helaas te laat. Ik zag zijn blik opzij schieten en zijn wenkbrauwen omhoog gaan. Mijn rug voelde aan alsof de wervels elk moment van elkaar konden springen.
“Waarin sommige meisjes over straat durven lopen.” De afkeur droop van zijn stem. Ik beet op mijn lip en keek hem verwonderd aan, alsof ze me nog niet eerder was opgevallen. Hij keek me op zijn beurt verbaasd aan.
“Heb je weer last van je rug, schat?”
De man aan het tafeltje naast het onze grinnikte. Nu pas viel het me op dat zijn vriendin een enorme zonnebril met spiegelende glazen droeg. Of hoe vrouwen zichzelf soms vrijwillig belachelijk maken.
Ik rechtte mijn rug en zorgde ervoor dat ik pal in het gezichtsveld van mijn vriendje ging zitten. Om me heen zag ik verschillende vrouwen hetzelfde doen. Ik hield me muisstil en keek hem recht aan, geïnteresseerd knikkend bij zowat elk woord dat uit zijn mond kwam. Verschillende lotgenoten probeerden het anders. Naarmate het meisje dichterbij kwam, schuifelden sommigen op het gevaarlijke af heen en weer over hun stoel, in een poging het hele gezichtsveld van hun partner op te vullen. De vrouw aan het tafeltje naast me zag eruit alsof ze aan het aerobiccen was. Voorzichtig, mijn blik strak gefocust op zijn ogen, schoof ik wat bij haar vandaan. Het laatste wat ik kon gebruiken, was haar elleboog in mijn gezicht.
Zich maar al te goed bewust van de golf aan reacties die ze aan haar publiek ontlokte, heupwiegde het meisje veel te langzaam voorbij de tafeltjes. Sommige ongelukkigen zaten in de verkeerde richting en begrepen pas waar hun mannelijke metgezel naar aan het kijken was wanneer het te laat was. Stuk voor stuk vertrokken hun gezichten en was de rest van hun namiddag volledig verpest.
In mijn ooghoeken zag ik haar naderen. Voor zover dat nog niet het geval was, spande ik elke spier in mijn rug op en concentreerde ik me op het intussen onbegrijpelijk geworden verhaal dat mijn vriend nog steeds aan het vertellen was. De vrouw naast me had er niks beter op gevonden dan op het laatste nippertje haar vent aan zijn kraag tot halverwege het tafeltje te trekken en hem op zijn mond te kussen. Voor die last minute reddingsactie was het in mijn geval helaas te laat. Ik zag zijn blik opzij schieten en zijn wenkbrauwen omhoog gaan. Mijn rug voelde aan alsof de wervels elk moment van elkaar konden springen.
“Waarin sommige meisjes over straat durven lopen.” De afkeur droop van zijn stem. Ik beet op mijn lip en keek hem verwonderd aan, alsof ze me nog niet eerder was opgevallen. Hij keek me op zijn beurt verbaasd aan.
“Heb je weer last van je rug, schat?”
De man aan het tafeltje naast het onze grinnikte. Nu pas viel het me op dat zijn vriendin een enorme zonnebril met spiegelende glazen droeg. Of hoe vrouwen zichzelf soms vrijwillig belachelijk maken.
vrijdag 27 maart 2009
De stad
Ik dwaalde rond in de stad die ik sinds twee dagen oppervlakkig kende en warmde mijn handen aan koppen thee. Lichamen en hun aangename temperaturen passeerden me langs links en langs rechts, maar bleven buiten handbereik. De wil tot spreken was me gaandeweg vergaan, aangezien niemand de taal die ik sprak leek te kunnen plaatsen. Ik was alleen.
Naarmate de tijd verstreek, trok ik een schild op. Sommigen zouden het onverschilligheid noemen, ik zag het als een beschermingslaag tegen vijandige aanvallen. Ik geloof heilig in de dodelijkheid van sommige blikken.
Bij het vallen van de avond merkte ik dat het volkomen stil was om me heen. En dat terwijl mensen me in kuddes voorbijliepen, hun monden opengetrokken in luide uitroepen en hikkende lachen. Ik keek om me heen. De neonlichten boven de deuren van de vele restaurants staken flauwtjes af tegen de nachtelijke hemel. De gevels van de huizen liepen niet langer loodrecht de hoogte in, maar bogen zich verstikkend naar me toe. Alsof ze me eerst tegen en later in de grond wilden drukken.
De stem kwam van heel ver. Ik voelde hoe mijn hoofd heen en weer zwengelde, maar kon de oorzaak van de beweging niet lokaliseren. Al mijn vitale lichaamsfuncties leken uitgeschakeld. Ik hoorde, voelde en zag amper. Ik had me afgesloten van de wereld. Of was het andersom? De stem klonk steeds luider, het licht werd steeds feller. Na wat ettelijke uren leken, begreep ik dat iemand tegen me aan stond te duwen. Een man. Hij schreeuwde. En hij stonk verschrikkelijk. Ik voelde iets koud achter mijn rug. Een muur. Ik ontwaarde een rij straatlampen aan de overkant van de straat. Toen alle zintuigen ongeveer in hun oude staat hersteld waren, keek ik opzij. De man stopte met duwen. Hij keek me aan en vroeg of ik in orde was. Blij met de aandacht die ik eindelijk kreeg, knikte ik. Hij grijnsde, schijnbaar opgelucht dat hij me tot leven had kunnen wekken.
“Goed! Heb je dan misschien wat geld voor me?”
Naarmate de tijd verstreek, trok ik een schild op. Sommigen zouden het onverschilligheid noemen, ik zag het als een beschermingslaag tegen vijandige aanvallen. Ik geloof heilig in de dodelijkheid van sommige blikken.
Bij het vallen van de avond merkte ik dat het volkomen stil was om me heen. En dat terwijl mensen me in kuddes voorbijliepen, hun monden opengetrokken in luide uitroepen en hikkende lachen. Ik keek om me heen. De neonlichten boven de deuren van de vele restaurants staken flauwtjes af tegen de nachtelijke hemel. De gevels van de huizen liepen niet langer loodrecht de hoogte in, maar bogen zich verstikkend naar me toe. Alsof ze me eerst tegen en later in de grond wilden drukken.
De stem kwam van heel ver. Ik voelde hoe mijn hoofd heen en weer zwengelde, maar kon de oorzaak van de beweging niet lokaliseren. Al mijn vitale lichaamsfuncties leken uitgeschakeld. Ik hoorde, voelde en zag amper. Ik had me afgesloten van de wereld. Of was het andersom? De stem klonk steeds luider, het licht werd steeds feller. Na wat ettelijke uren leken, begreep ik dat iemand tegen me aan stond te duwen. Een man. Hij schreeuwde. En hij stonk verschrikkelijk. Ik voelde iets koud achter mijn rug. Een muur. Ik ontwaarde een rij straatlampen aan de overkant van de straat. Toen alle zintuigen ongeveer in hun oude staat hersteld waren, keek ik opzij. De man stopte met duwen. Hij keek me aan en vroeg of ik in orde was. Blij met de aandacht die ik eindelijk kreeg, knikte ik. Hij grijnsde, schijnbaar opgelucht dat hij me tot leven had kunnen wekken.
“Goed! Heb je dan misschien wat geld voor me?”
woensdag 11 maart 2009
De trein (2)
Zij zat schuin voor, hij naast mij. Zij was redelijk gezet, droeg haar haar in een slordige staart en keek strijdlustig door de vuile ruit. Hij was normaal gebouwd, had een hip kapsel en liet zijn ring rondjes draaien om zijn vinger. Hij legde zijn hand op haar omvangrijke dij. Zij ging in de aanval.
Hij vond dat ze overdreven reageerde, zij verweet hem zijn emotieloosheid. Hij suste dat ze het zich niet zo moest aantrekken, zij benadrukte dat ze niet over zich heen liet lopen door dat kreng. Hij vroeg waarom ze zich zo bedreigd voelde, terwijl daar helemaal geen reden toe was. Zij wees hem erop dat hij die trut anders ook wel knap had gevonden toen hij haar vorige week had ontmoet. Hij herinnerde haar eraan dat hij niet op graatmagere types viel. Zij snoof, niet overtuigd. Hij stelde voor dat ze zich, als ze zich zo voorbijgestoken voelde, zou bijscholen. Ook al zou dat moeite vergen. Hoezo moeite? Hij had haar altijd al dom gevonden, was het niet?
Hoewel ik me zeer bewust was van het feit dat ik in oorlogsgebied was terechtgekomen, kon ik een glimlach amper onderdrukken. Het deed deugd om te beseffen dat ik niet de enige over-emotionele vrouw ter wereld ben. En dat discussies precies om die reden altijd weer vierkant draaien.
Zijn handen hingen enkele seconden radeloos in de lucht en vielen tenslotte neer in zijn schoot. Haar ogen keken woedend uit het raam, haar kaken stijf opeen geklemd. De mensen in de wagon keken onwennig om zich heen. Niet om wat ze gehoord hadden, maar omdat het, nu de stilte viel, duidelijk werd dat ze meegeluisterd hadden.
Enkele minuten verstreken. Haar kaken ontspanden zich, zijn handen zochten naar woorden. Maar het bleef stil. Ik keek wijselijk de andere kant uit.
Een stem maakte duidelijk dat we het volgende station naderden. Zij ritste haar jas dicht en friemelde even aan de zoom. Hij raapte zijn moed bij elkaar en keek haar aan. Zij deed alsof ze zijn ogen niet zag en stond op. Achter elkaar liepen ze naar de deur. De trein remde en stopte. Zwijgend stapten ze uit. Onderweg naar de trap die de perrons met elkaar verbond, reikte hij naar haar hand. En zij gaf hem die. De vrouwen om me heen haalden opgelucht adem en schoven bij het raam vandaan. Ik glimlachte.
Hij vond dat ze overdreven reageerde, zij verweet hem zijn emotieloosheid. Hij suste dat ze het zich niet zo moest aantrekken, zij benadrukte dat ze niet over zich heen liet lopen door dat kreng. Hij vroeg waarom ze zich zo bedreigd voelde, terwijl daar helemaal geen reden toe was. Zij wees hem erop dat hij die trut anders ook wel knap had gevonden toen hij haar vorige week had ontmoet. Hij herinnerde haar eraan dat hij niet op graatmagere types viel. Zij snoof, niet overtuigd. Hij stelde voor dat ze zich, als ze zich zo voorbijgestoken voelde, zou bijscholen. Ook al zou dat moeite vergen. Hoezo moeite? Hij had haar altijd al dom gevonden, was het niet?
Hoewel ik me zeer bewust was van het feit dat ik in oorlogsgebied was terechtgekomen, kon ik een glimlach amper onderdrukken. Het deed deugd om te beseffen dat ik niet de enige over-emotionele vrouw ter wereld ben. En dat discussies precies om die reden altijd weer vierkant draaien.
Zijn handen hingen enkele seconden radeloos in de lucht en vielen tenslotte neer in zijn schoot. Haar ogen keken woedend uit het raam, haar kaken stijf opeen geklemd. De mensen in de wagon keken onwennig om zich heen. Niet om wat ze gehoord hadden, maar omdat het, nu de stilte viel, duidelijk werd dat ze meegeluisterd hadden.
Enkele minuten verstreken. Haar kaken ontspanden zich, zijn handen zochten naar woorden. Maar het bleef stil. Ik keek wijselijk de andere kant uit.
Een stem maakte duidelijk dat we het volgende station naderden. Zij ritste haar jas dicht en friemelde even aan de zoom. Hij raapte zijn moed bij elkaar en keek haar aan. Zij deed alsof ze zijn ogen niet zag en stond op. Achter elkaar liepen ze naar de deur. De trein remde en stopte. Zwijgend stapten ze uit. Onderweg naar de trap die de perrons met elkaar verbond, reikte hij naar haar hand. En zij gaf hem die. De vrouwen om me heen haalden opgelucht adem en schoven bij het raam vandaan. Ik glimlachte.
vrijdag 6 maart 2009
De mannen die de gas doen branden
Terwijl ik met slaapogen op mijn pantoffels sta te wankelen in de gure ochtendwind, tilt hij met veel omhaal het deksel omhoog. Onderweg naar mijn ongewassen gezicht en ongekamde haren blijven zijn ogen enkele seconden hangen bij mijn haastig in training gestoken benen. “We zullen er eens aan beginnen, juffrouw.”
“U studeert nog?”
Ik glimlach en knik, hou me voor dat het voor hem ook geen pretje moet zijn en vergeef hem het feit dat hij me om half acht uit mijn bed haalde om ons van mazout te komen voorzien.
“Ik zou ook graag studeren.” Hij trekt zijn rubberen handschoenen aan en draait de tank open. “Maar ja…” In stilte kijken we naar de enorme tankwagen, die begint te brommen. Het is te zeggen, hij kijkt. Ik probeer me te focussen. Mijn koalapyjama verwisselen voor een trainingsbroek en een trui leek me dringender dan lenzen indoen of op zoek gaan naar mijn bril. Bijgevolg ben ik half blind.
“En wat wilt u later gaan doen? Ik wilde altijd dokter worden. Mensen onderzoeken.” Of benen, klaarblijkelijk. Wanneer hij merkt dat ik hem in de gaten heb, kijkt hij snel de andere kant uit. Opnieuw kijken we in stilte naar de straat, waar het gevaarte geparkeerd staat.
“Hij is vol, kijk maar.” Ik aarzel. Ten eerste moet ik zowat op zijn schoot gaan zitten om in de tank te kunnen kijken. Ten tweede ben ik er zo goed als zeker van dat mijn bijziendheid me niet zal toelaten de inhoud van de tank te kunnen zien.
“Ik zal even opzij gaan.” Het is een begin. Op mijn pantoffels schuifel ik dichterbij en buig ik me voorzichtig voorover, me concentrerend op de hoek die mijn rug en mijn benen daarbij maken. Het laatste wat ik wil, is hem een panoramisch zicht op mijn kont bieden. Wanneer ik, balancerend op de toppen van mijn tenen om bovenvermelde hoek zo stomp mogelijk te houden, boven de opening van de tank hang, zie ik in eerste instantie helemaal niets. Subtiel beweeg ik mijn hoofd wat naar links en naar rechts. Nog steeds niets. Tenslotte knijp ik mijn ogen tot spleetjes, waardoor ik eindelijk iets zie dat op vloeistof lijkt.
“Oh, u ziet niet goed.” Ik schrik van zijn stem, die van veel dichterbij komt dan ik me had voorgesteld en ga snel terug gewoon staan.
“Nee, ik had de tijd niet om mijn lenzen in te doen.”
“Ik zal het boeltje even dichtdoen voor u.” Nu hij denkt dat ik blind ben, richt hij zich zonder schaamte rechtstreeks tot mijn benen. Zoveel brutaliteit had ik niet verwacht.
“Doe de rekening maar in de brievenbus.” Achterstevoren, met mijn vingers beschermend over mijn dijen gespreid, zoek ik mijn weg terug naar de voordeur terwijl ik hem kil probeer aan te kijken. Of de verbaasde blik waarmee hij me zwijgend nakijkt het gevolg is van mijn haastige evacueringsplan of van het feit dat ik kwaad naar zijn voorhoofd loop te staren, weet ik niet.
“U studeert nog?”
Ik glimlach en knik, hou me voor dat het voor hem ook geen pretje moet zijn en vergeef hem het feit dat hij me om half acht uit mijn bed haalde om ons van mazout te komen voorzien.
“Ik zou ook graag studeren.” Hij trekt zijn rubberen handschoenen aan en draait de tank open. “Maar ja…” In stilte kijken we naar de enorme tankwagen, die begint te brommen. Het is te zeggen, hij kijkt. Ik probeer me te focussen. Mijn koalapyjama verwisselen voor een trainingsbroek en een trui leek me dringender dan lenzen indoen of op zoek gaan naar mijn bril. Bijgevolg ben ik half blind.
“En wat wilt u later gaan doen? Ik wilde altijd dokter worden. Mensen onderzoeken.” Of benen, klaarblijkelijk. Wanneer hij merkt dat ik hem in de gaten heb, kijkt hij snel de andere kant uit. Opnieuw kijken we in stilte naar de straat, waar het gevaarte geparkeerd staat.
“Hij is vol, kijk maar.” Ik aarzel. Ten eerste moet ik zowat op zijn schoot gaan zitten om in de tank te kunnen kijken. Ten tweede ben ik er zo goed als zeker van dat mijn bijziendheid me niet zal toelaten de inhoud van de tank te kunnen zien.
“Ik zal even opzij gaan.” Het is een begin. Op mijn pantoffels schuifel ik dichterbij en buig ik me voorzichtig voorover, me concentrerend op de hoek die mijn rug en mijn benen daarbij maken. Het laatste wat ik wil, is hem een panoramisch zicht op mijn kont bieden. Wanneer ik, balancerend op de toppen van mijn tenen om bovenvermelde hoek zo stomp mogelijk te houden, boven de opening van de tank hang, zie ik in eerste instantie helemaal niets. Subtiel beweeg ik mijn hoofd wat naar links en naar rechts. Nog steeds niets. Tenslotte knijp ik mijn ogen tot spleetjes, waardoor ik eindelijk iets zie dat op vloeistof lijkt.
“Oh, u ziet niet goed.” Ik schrik van zijn stem, die van veel dichterbij komt dan ik me had voorgesteld en ga snel terug gewoon staan.
“Nee, ik had de tijd niet om mijn lenzen in te doen.”
“Ik zal het boeltje even dichtdoen voor u.” Nu hij denkt dat ik blind ben, richt hij zich zonder schaamte rechtstreeks tot mijn benen. Zoveel brutaliteit had ik niet verwacht.
“Doe de rekening maar in de brievenbus.” Achterstevoren, met mijn vingers beschermend over mijn dijen gespreid, zoek ik mijn weg terug naar de voordeur terwijl ik hem kil probeer aan te kijken. Of de verbaasde blik waarmee hij me zwijgend nakijkt het gevolg is van mijn haastige evacueringsplan of van het feit dat ik kwaad naar zijn voorhoofd loop te staren, weet ik niet.
dinsdag 3 maart 2009
De trein
“Mag ik uw kaartje?”
De vijf zevenjarige meisjes die tegenover me zitten, kijken me verwachtingsvol aan. Alsof ik op het punt sta om een test af te leggen. En misschien is dat ook wel zo. Je weet nooit wat je kan verwachten van een treinconducteur.
Terwijl ik in krochten van mijn veel te grote handtas op zoek ga naar mijn ticket, blijven ze me zwijgend in het oog houden. Onderling wisselen ze zogezegde onzichtbare signalen uit. Maar helaas ben ik niet blind geboren, en dus kan ik het zwaaien van hun armen en hun wijzende vingers duidelijk zien. En net zoals altijd wanneer ik me in het midden van de belangstelling bevind, voel ik mijn kaken rood kleuren en krijg ik het warm. Om snel een einde te kunnen maken aan de vertoning, ga ik nog fanatieker op zoek naar mijn ticket. Met de armhalen van een bedreven crawlzwemmer draai ik de inhoud van mijn tas om, terwijl ik verontschuldigend glimlach naar de ongeduldig kijkende conducteur. Wanneer ik mijn hoofd draai, zie ik tot mijn grote afgunst dat twee van de meisjes mijn glimlach imiteren en elkaar daarbij schaapachtig aankijken. Hoe ver is het gekomen als een stelletje zevenjarigen je uitlacht?
“Juffrouw…”
Zijn geduld is duidelijk op. De glimlach van de twee meisjes smelt weg. Op hun jonge leeftijd weten ze als geen ander wanneer iemands geduld op is en wanneer het tijd is om je gedeisd te houden.
“Momentje, ik…”
In een laatste wanhoopspoging wroet ik nog wat rond op de bodem van mijn tas. In mijn ooghoek zie ik dat hij zich klaarmaakt om een geweldige boete uit te schrijven. Net op het moment dat hij zijn pen op het papier zet, sluiten mijn vingers zich om het vertrouwde stukje papier. Triomfantelijk trek ik het tussen mijn paraplu en mijn flesje water uit. Helaas iets te enthousiast, waardoor mijn ticket half in tweeën scheurt. Met een knalrode kop steek ik hem mijn kaartje toe. Hij trekt één wenkbrauw op en haalt uiteindelijk toch zijn knipper boven. Opgelucht kijk ik de meisjes aan. Een aarzelend glimlachje komt op hun lippen te voorschijn. Ik glimlach voorzichtig terug.
“Zo.” Hij laat het kaartje voor mijn neus wapperen en kijkt mijn nieuwe vriendinnetjes aan. “Dat was niet flink.” Verbouwereerd kijk ik hem na. Alle vijf beginnen de meisjes simultaan te giechelen en te fluisteren. Hun wijsvingers steken ze daarbij ongegeneerd mijn kant uit. Ik had het kunnen weten. Met treinconducteurs weet je nooit.
De trein (2)
De vijf zevenjarige meisjes die tegenover me zitten, kijken me verwachtingsvol aan. Alsof ik op het punt sta om een test af te leggen. En misschien is dat ook wel zo. Je weet nooit wat je kan verwachten van een treinconducteur.
Terwijl ik in krochten van mijn veel te grote handtas op zoek ga naar mijn ticket, blijven ze me zwijgend in het oog houden. Onderling wisselen ze zogezegde onzichtbare signalen uit. Maar helaas ben ik niet blind geboren, en dus kan ik het zwaaien van hun armen en hun wijzende vingers duidelijk zien. En net zoals altijd wanneer ik me in het midden van de belangstelling bevind, voel ik mijn kaken rood kleuren en krijg ik het warm. Om snel een einde te kunnen maken aan de vertoning, ga ik nog fanatieker op zoek naar mijn ticket. Met de armhalen van een bedreven crawlzwemmer draai ik de inhoud van mijn tas om, terwijl ik verontschuldigend glimlach naar de ongeduldig kijkende conducteur. Wanneer ik mijn hoofd draai, zie ik tot mijn grote afgunst dat twee van de meisjes mijn glimlach imiteren en elkaar daarbij schaapachtig aankijken. Hoe ver is het gekomen als een stelletje zevenjarigen je uitlacht?
“Juffrouw…”
Zijn geduld is duidelijk op. De glimlach van de twee meisjes smelt weg. Op hun jonge leeftijd weten ze als geen ander wanneer iemands geduld op is en wanneer het tijd is om je gedeisd te houden.
“Momentje, ik…”
In een laatste wanhoopspoging wroet ik nog wat rond op de bodem van mijn tas. In mijn ooghoek zie ik dat hij zich klaarmaakt om een geweldige boete uit te schrijven. Net op het moment dat hij zijn pen op het papier zet, sluiten mijn vingers zich om het vertrouwde stukje papier. Triomfantelijk trek ik het tussen mijn paraplu en mijn flesje water uit. Helaas iets te enthousiast, waardoor mijn ticket half in tweeën scheurt. Met een knalrode kop steek ik hem mijn kaartje toe. Hij trekt één wenkbrauw op en haalt uiteindelijk toch zijn knipper boven. Opgelucht kijk ik de meisjes aan. Een aarzelend glimlachje komt op hun lippen te voorschijn. Ik glimlach voorzichtig terug.
“Zo.” Hij laat het kaartje voor mijn neus wapperen en kijkt mijn nieuwe vriendinnetjes aan. “Dat was niet flink.” Verbouwereerd kijk ik hem na. Alle vijf beginnen de meisjes simultaan te giechelen en te fluisteren. Hun wijsvingers steken ze daarbij ongegeneerd mijn kant uit. Ik had het kunnen weten. Met treinconducteurs weet je nooit.
De trein (2)
vrijdag 13 februari 2009
Abonneren op:
Posts (Atom)
