“Ge moogt dat niet meer eten.”
“Wat niet?”
“Kipkap.”
“Kipkap?”
“Kipkap.”
“Waarom dat niet? Kipkap?”
“Omdat dat veel te vet is, kipkap.”
“En dan?”
“Da’s niet goed voor uw hart, zulle.”
“En dan?”
“Dan gaat ge dood. Zoals Bart van Jeanneke.”
“Van kipkap?”
“Van te vet.”
“Bart van Jeanneke?”
“Bart van Jeanneke.”
“Die was gewoon oud.”
“Van ’33.”
“Awel.”
“Zo oud is dat niet, zulle. Gewoon te vet.”
“Bart van Jeanneke?”
“Neeje, kipkap.”
vrijdag 28 augustus 2009
woensdag 19 augustus 2009
Huilen
Huilen we om wie gestorven is
of om onszelf?
Om wat voorbij is en nooit meer terugkomt
of om wat nog komen gaat?
Om het gemis
of om de eenzaamheid?
Of slechts omdat we eraan herinnerd worden dat het leven eindig is
en we er een potje van maken?
Voor Tom, die ongetwijfeld het antwoord had geweten. Het ga je goed.
of om onszelf?
Om wat voorbij is en nooit meer terugkomt
of om wat nog komen gaat?
Om het gemis
of om de eenzaamheid?
Of slechts omdat we eraan herinnerd worden dat het leven eindig is
en we er een potje van maken?
Voor Tom, die ongetwijfeld het antwoord had geweten. Het ga je goed.
vrijdag 31 juli 2009
Wie het huisje poetst heeft het gedaan
Gedurende mijn relatief korte leven zijn er al heel wat poetsvrouwen de revue gepasseerd. Ze hebben er met zijn allen dan ook een geweldig zootje van gemaakt. Van de antieke vaas op de kast op de gang tot onze hamster Herman, alles moest eraan geloven. Vorige week nog verdween er twintig euro uit de commode. Vast die nieuwe uit Rwanda.
Sommigen hebben het lang uitgehouden. Krysta uit Polen, Aïsha, een Belgisch-Marokaanse en Yvonne, een geboren en getogen Kongolese. Respectievelijk de antieke vaas op de kast op de gang, onze hamster Herman en een ongelukkige val van het roze keukentrapje betekenden in het beste geval na jarenlange dienst de wisseling van de wacht. Anderen waren minder gelukkig. Die stootten, krasten, braken en vernielden op hun eerste dag van pure zenuwen allerlei huis- tuin- en keukenspullen en mochten meteen hun schop afkuisen.
Of het nu het gevolg is van stereotiep denken dan wel van een proces van gewenning, het toeval wil dat alles wat sinds de komst van de resem poetsvrouwen fout gaat in ons huishouden hun schuld is. Per definitie. Zo ook de chocoladebruine streep die ik in een moment van opperste verrukking (lees: onoplettendheid) op de sneeuwwitte bank achterliet (geen wonder dat ze zo'n enorme kont heeft, ze zit hele dagen te snoepen), de kras die mama bij het stiekem passen van mijn naaldhak maakte op het parket (ze draagt toch wérkéluk niet het gepaste schoeisel), de schroeiplek die mijn broer met zijn verboden sigaret in het gordijn maakte (als ze dan toch wil roken in ons huis, kan ze wel uitkijken dat ze de boel niet in de fik steekt) en de gebruikte condoom die verdwaald in het midden van de gang tussen alle drie de slaapkamers in lag (dit doet de deur dicht!).
Van alle vermeende ongevallen zagen we met onze eigen ogen gebeuren: het in duizend stukken vallen van de antieke vaas op de kast op de gang (Jezusmina, you know what that costs?), het verdwijnen van Herman in de slurf van de stofzuiger (You killed him! You killed him!) en de ongelukkige val van het roze keukentrapje (While you’re there, can you pick up that piece of paper?) Desalnietemin zijn we er zo goed als zeker van dat al de overige onregelmatigheden ook aan onze kuiseenheid toegeschreven kunnen worden. Zoals het ook de schuld van de tuinman zou zijn dat de staart van de raskat van de buren onder de grasmachine terechtkwam. Als we een tuinman hadden.
Sommigen hebben het lang uitgehouden. Krysta uit Polen, Aïsha, een Belgisch-Marokaanse en Yvonne, een geboren en getogen Kongolese. Respectievelijk de antieke vaas op de kast op de gang, onze hamster Herman en een ongelukkige val van het roze keukentrapje betekenden in het beste geval na jarenlange dienst de wisseling van de wacht. Anderen waren minder gelukkig. Die stootten, krasten, braken en vernielden op hun eerste dag van pure zenuwen allerlei huis- tuin- en keukenspullen en mochten meteen hun schop afkuisen.
Of het nu het gevolg is van stereotiep denken dan wel van een proces van gewenning, het toeval wil dat alles wat sinds de komst van de resem poetsvrouwen fout gaat in ons huishouden hun schuld is. Per definitie. Zo ook de chocoladebruine streep die ik in een moment van opperste verrukking (lees: onoplettendheid) op de sneeuwwitte bank achterliet (geen wonder dat ze zo'n enorme kont heeft, ze zit hele dagen te snoepen), de kras die mama bij het stiekem passen van mijn naaldhak maakte op het parket (ze draagt toch wérkéluk niet het gepaste schoeisel), de schroeiplek die mijn broer met zijn verboden sigaret in het gordijn maakte (als ze dan toch wil roken in ons huis, kan ze wel uitkijken dat ze de boel niet in de fik steekt) en de gebruikte condoom die verdwaald in het midden van de gang tussen alle drie de slaapkamers in lag (dit doet de deur dicht!).
Van alle vermeende ongevallen zagen we met onze eigen ogen gebeuren: het in duizend stukken vallen van de antieke vaas op de kast op de gang (Jezusmina, you know what that costs?), het verdwijnen van Herman in de slurf van de stofzuiger (You killed him! You killed him!) en de ongelukkige val van het roze keukentrapje (While you’re there, can you pick up that piece of paper?) Desalnietemin zijn we er zo goed als zeker van dat al de overige onregelmatigheden ook aan onze kuiseenheid toegeschreven kunnen worden. Zoals het ook de schuld van de tuinman zou zijn dat de staart van de raskat van de buren onder de grasmachine terechtkwam. Als we een tuinman hadden.
vrijdag 19 juni 2009
De notaris
Hoewel ik er voor onze ontmoeting geen idee van had hoe de doorsnee notaris eruit ziet, nam ik aan dat het exemplaar dat zich gezien zijn BMI tegelijk rechts van mij en pal voor mijn neus bevond voor het prototype kon doorgaan. Over zijn witte hemd met korte mouwen liep een afzichtelijke das met bordeauxrode, marineblauwe en spargroene strepen, de benen van zijn bril stonden zo wijd uit elkaar dat het leek alsof ze elk moment van het montuur konden springen en aan zijn pink prijkte een knoert van een zegelring die de bloedstroom naar de hoger gelegen kootjes volledig leek af te snijden. De immense bureaustoel waar hij zichzelf in gepropt had kraakte gevaarlijk onder zijn gewicht telkens wanneer hij een blad van het dossier omsloeg en een misnoegde zucht slaakte vanwege de administratieve rompslomp die hij tussen de letters ontwaarde.
Precies zoals hij met zijn hele uitstraling en gedrag wilde bereiken, was ik helemaal overdonderd en waagde ik het niet me te bewegen. Ook niet toen hij na tien minuten mompelend het dossier te hebben zitten voorlezen en zichzelf minstens evenveel keer foeterend op de Belgische wetgeving onderbroken te hebben amper in de helft zat en mijn linkerbeen pijn begon te doen. Het enige dat me ervan weerhield om te gaan verzitten, was het feit dat mijn anders zo ongegeneerde jongere broer met zijn rug stokstijf naast me zat en als gehypnotiseerd naar de vertoning keek.
Net toen ik begon te vrezen dat mijn linkerbeen blijvende schade zou oplopen als ik nog één minuut langer in dezelfde verkrampte houding zou blijven zitten, verbrak de jongste van de familie, een puberaal geval en de ouwe getrouwe in vervelende situaties, zijn eigen hypnose en daarmee ook de stilte door luidkeels te geeuwen. Opgelucht ging ik, en samen met mij de rest van de familie, zo zag ik, verzitten. De notaris keek verstoord op. Zijn drie kinnen trilden van verontwaardiging. Zijn jongere collega, die het afgelopen kwartier meermaals de mantel was uitgeveegd, kon zijn plezier duidelijk niet op.
De notaris trok zijn wenkbrauwen op en maakte een nerveuze beweging met zijn hoofd, met een choreografisch hoogstandje van de lichaamsvetten en huidlagen onder zijn kin tot gevolg, en vroeg of het hem misschien niet interesseerde, jongeman. Met getuite lippen en zijn herwonnen arrogantie knikte deze van wel, mijnheer. In zijn wiek geschoten rammelde de man het dossier in amper drie minuten zevenentwintig seconden verder af, sloeg ermee op het bureau en droeg ons op om het te ondertekenen. Nog voor de laatste letter goed en wel op papier stond, griste hij het onder onze neus weg en begeleidde ons trippelend naar de uitgang. Met een “Geen vragen meer, mevrouwtje, vertrouwt u er maar op” slaagde hij erin om ten slotte ook moeder naar buiten te werken.
Bij deze is het duidelijk dat iedereen voor een bepaald beroep gemaakt is. Heb je een voorliefde voor dure pakken, dan ga je de advocatuur in. Ben je op de koop toe onuitstaanbaar, dan word je notaris. Is je handschrift volstrekt onleesbaar, studeer je geneeskunde. Dikkerdjes worden kok, panlatten model, saaie pieten stappen in het bankwezen, moederlijke types worden verpleegster of kleuterbegeleidster, mensen met harde gelaatstrekken bouwen een carrière uit, zij met een lief gezicht gaan de sociale sector in. Ben je al het voorgaande, contacteer dan uw uitzendconsulente (een dikke, vriendelijke dame van middelbare leeftijd) of uw psycholoog (een magere, jonge vrouw of een grijzende man van boven de vijftig met een brilletje).
Precies zoals hij met zijn hele uitstraling en gedrag wilde bereiken, was ik helemaal overdonderd en waagde ik het niet me te bewegen. Ook niet toen hij na tien minuten mompelend het dossier te hebben zitten voorlezen en zichzelf minstens evenveel keer foeterend op de Belgische wetgeving onderbroken te hebben amper in de helft zat en mijn linkerbeen pijn begon te doen. Het enige dat me ervan weerhield om te gaan verzitten, was het feit dat mijn anders zo ongegeneerde jongere broer met zijn rug stokstijf naast me zat en als gehypnotiseerd naar de vertoning keek.
Net toen ik begon te vrezen dat mijn linkerbeen blijvende schade zou oplopen als ik nog één minuut langer in dezelfde verkrampte houding zou blijven zitten, verbrak de jongste van de familie, een puberaal geval en de ouwe getrouwe in vervelende situaties, zijn eigen hypnose en daarmee ook de stilte door luidkeels te geeuwen. Opgelucht ging ik, en samen met mij de rest van de familie, zo zag ik, verzitten. De notaris keek verstoord op. Zijn drie kinnen trilden van verontwaardiging. Zijn jongere collega, die het afgelopen kwartier meermaals de mantel was uitgeveegd, kon zijn plezier duidelijk niet op.
De notaris trok zijn wenkbrauwen op en maakte een nerveuze beweging met zijn hoofd, met een choreografisch hoogstandje van de lichaamsvetten en huidlagen onder zijn kin tot gevolg, en vroeg of het hem misschien niet interesseerde, jongeman. Met getuite lippen en zijn herwonnen arrogantie knikte deze van wel, mijnheer. In zijn wiek geschoten rammelde de man het dossier in amper drie minuten zevenentwintig seconden verder af, sloeg ermee op het bureau en droeg ons op om het te ondertekenen. Nog voor de laatste letter goed en wel op papier stond, griste hij het onder onze neus weg en begeleidde ons trippelend naar de uitgang. Met een “Geen vragen meer, mevrouwtje, vertrouwt u er maar op” slaagde hij erin om ten slotte ook moeder naar buiten te werken.
Bij deze is het duidelijk dat iedereen voor een bepaald beroep gemaakt is. Heb je een voorliefde voor dure pakken, dan ga je de advocatuur in. Ben je op de koop toe onuitstaanbaar, dan word je notaris. Is je handschrift volstrekt onleesbaar, studeer je geneeskunde. Dikkerdjes worden kok, panlatten model, saaie pieten stappen in het bankwezen, moederlijke types worden verpleegster of kleuterbegeleidster, mensen met harde gelaatstrekken bouwen een carrière uit, zij met een lief gezicht gaan de sociale sector in. Ben je al het voorgaande, contacteer dan uw uitzendconsulente (een dikke, vriendelijke dame van middelbare leeftijd) of uw psycholoog (een magere, jonge vrouw of een grijzende man van boven de vijftig met een brilletje).
zaterdag 16 mei 2009
Kamperen
Het plan had onfeilbaar geleken: ik zou mijn batterijen opladen in de wijde natuur en als herboren naar huis terugkeren. Na amper vijf minuten bleek echter dat ik één detail over het hoofd had gezien: moeder natuur laat zich niet manipuleren.
De zon, die er in mijn fantasieën overvloedig aan te pas kwam, was ver te zoeken. In plaats daarvan sierden donkere, dreigende wolken de hemel. Een plensbui is een eufemisme voor het noodweer dat amper achthonderdvijfentwintig meter van het vertrekpunt losbrak. Gelukkig was ik op alles voorzien. Uitgedost als een levensgrote PMD-zak zette ik mijn weg verder. De uitroepen die ik onderweg oogstte, klasseerde ik als aanmoedigend.
Doornat en uitgeput kwam ik ’s avonds op het kampeerterrein aan. Eten en overnachten in de buitenlucht zouden vast een helend effect hebben. Effect hadden ze zeker, ware het niet helemaal zoals gewenst. Mijn tupperwaremaaltijd en plastic vork zonken in het niets bij de professionele vuurstellen en eetgerei van ervaren kampeerders en de grond – ofschoon deze zompig was geworden door de overvloedige regenval – voelde harder en kouder aan dan verwacht. De volgende morgen werd de tocht dan ook voortijdig afgeblazen, wegens lichamelijke en geestelijke oververmoeidheid.
Het was echter niet allemaal kommer en kwel; de wonderen der natuur werden me niet onthouden. Wat begon als een knellende schoen, eindigde in een blein met de afmetingen van een wijd uit elkaar gespatte vogelstront met wonderlijke kleurschakeringen. Ook leerde ik enkele waardevolle lessen over mezelf: PMD- zakken flatteren mijn figuur niet en de natuur intensief bewonderen is niet bevorderend voor mijn gemoedstoestand.
De zon, die er in mijn fantasieën overvloedig aan te pas kwam, was ver te zoeken. In plaats daarvan sierden donkere, dreigende wolken de hemel. Een plensbui is een eufemisme voor het noodweer dat amper achthonderdvijfentwintig meter van het vertrekpunt losbrak. Gelukkig was ik op alles voorzien. Uitgedost als een levensgrote PMD-zak zette ik mijn weg verder. De uitroepen die ik onderweg oogstte, klasseerde ik als aanmoedigend.
Doornat en uitgeput kwam ik ’s avonds op het kampeerterrein aan. Eten en overnachten in de buitenlucht zouden vast een helend effect hebben. Effect hadden ze zeker, ware het niet helemaal zoals gewenst. Mijn tupperwaremaaltijd en plastic vork zonken in het niets bij de professionele vuurstellen en eetgerei van ervaren kampeerders en de grond – ofschoon deze zompig was geworden door de overvloedige regenval – voelde harder en kouder aan dan verwacht. De volgende morgen werd de tocht dan ook voortijdig afgeblazen, wegens lichamelijke en geestelijke oververmoeidheid.
Het was echter niet allemaal kommer en kwel; de wonderen der natuur werden me niet onthouden. Wat begon als een knellende schoen, eindigde in een blein met de afmetingen van een wijd uit elkaar gespatte vogelstront met wonderlijke kleurschakeringen. Ook leerde ik enkele waardevolle lessen over mezelf: PMD- zakken flatteren mijn figuur niet en de natuur intensief bewonderen is niet bevorderend voor mijn gemoedstoestand.
vrijdag 1 mei 2009
Karakter(loos)
Ik wilde me sterk houden. Tonen dat ik een vrouw met ballen ben. Vooral niet onderdoen voor mijn mannelijke metgezel en de horror overleven. Op het eerste zicht slaagde ik daar wonderwel in. Ik kreeg zelfs complimenten. Maar ik had beter moeten weten. Eens de nacht viel, verschrompelde ik tot een bevend, angstig wezentje.
Het is steeds hetzelfde liedje: ik wil me spiegelen aan anderen en algemeen aanvaarde stereotypen. Ik wil net zo knap, slim, belezen, zorgeloos, culinair aangelegd, op de hoogte van de nieuwste films, fotogeniek, perfect gelukkig, sociaal vaardig, slank, goedlachs en assertief zijn als de perso(o)n(en) in wiens gezelschap ik me bevind. Anderen lijken er moeiteloos in te slagen, ik heb er de grootste moeite mee. Zo lang ik kan probeer ik het vol te houden. Volkomen slagen in mijn opzet lukt echter nooit. Op het moment dat ik besef dat ik door de mand gevallen ben, zakken mijn schouders samen met mijn moraal als een lappenpop in elkaar en klap ik volledig dicht.
Deze keer wilde ik echter volhouden tot het bittere einde. En bitter was het zeker. Anderhalf uur, liters bloed en ettelijke angstaanvallen na de eerste verschrikkelijke minuten was ik in mijn opzet geslaagd. De pluim die ik kreeg (“Ik had nooit gedacht dat je dit zou aankunnen!”) wuifde ik met een glimlach weg. Geen probleem, toch!
Een probleem was het inderdaad niet geweest als ik er anderhalf uur lang in geslaagd was mijn zicht en gehoor van de buitenwereld af te sluiten. Jammer genoeg was dat niet gelukt, met enkele slapeloze, angstige nachten tot gevolg.
Een mens zou denken dat hij leert uit zijn fouten. Niets is echter minder waar. Volledig gelukkig zijn met wie ik ben, heb ik ondanks alles nog steeds niet geleerd. In afwachting probeer ik nog steeds te zijn wie anderen graag willen dat ik ben.
Het is steeds hetzelfde liedje: ik wil me spiegelen aan anderen en algemeen aanvaarde stereotypen. Ik wil net zo knap, slim, belezen, zorgeloos, culinair aangelegd, op de hoogte van de nieuwste films, fotogeniek, perfect gelukkig, sociaal vaardig, slank, goedlachs en assertief zijn als de perso(o)n(en) in wiens gezelschap ik me bevind. Anderen lijken er moeiteloos in te slagen, ik heb er de grootste moeite mee. Zo lang ik kan probeer ik het vol te houden. Volkomen slagen in mijn opzet lukt echter nooit. Op het moment dat ik besef dat ik door de mand gevallen ben, zakken mijn schouders samen met mijn moraal als een lappenpop in elkaar en klap ik volledig dicht.
Deze keer wilde ik echter volhouden tot het bittere einde. En bitter was het zeker. Anderhalf uur, liters bloed en ettelijke angstaanvallen na de eerste verschrikkelijke minuten was ik in mijn opzet geslaagd. De pluim die ik kreeg (“Ik had nooit gedacht dat je dit zou aankunnen!”) wuifde ik met een glimlach weg. Geen probleem, toch!
Een probleem was het inderdaad niet geweest als ik er anderhalf uur lang in geslaagd was mijn zicht en gehoor van de buitenwereld af te sluiten. Jammer genoeg was dat niet gelukt, met enkele slapeloze, angstige nachten tot gevolg.
Een mens zou denken dat hij leert uit zijn fouten. Niets is echter minder waar. Volledig gelukkig zijn met wie ik ben, heb ik ondanks alles nog steeds niet geleerd. In afwachting probeer ik nog steeds te zijn wie anderen graag willen dat ik ben.
maandag 27 april 2009
Positief denken (2)
donderdag 23 april 2009
Positief denken
Ik moest positief denken van de dokter. Dat zei hij. “Je moet positief denken, kind.” Ik had niks te willen.
Hij vond dat ik er soms zo’n negatieve gedachten op nahield. Zoals die keer dat ik hem ei zo na onderkotste omdat hij zijn houten palletje net iets te diep in mijn keel stak. Ik schaamde me dood en wilde me halfnaakt het kabinet uit haasten, hij haalde enkel zijn schouders op.
Het ging met vallen en opstaan.
“Positief denken kan je leren.”
“Hoe dan?”
“Denk het omgekeerde van je initiële gedachte.”
Makkelijk zat, dacht ik. Amper zes dagen later zat ik opnieuw voor zijn neus. Ontkennen dat het pijpenstelen regende, had geen zin gehad. De keelontsteking die ik tijdens mijn “zonnige dag” opgelopen had negeren, lukte evenmin.
Ik mocht niet in extremen vervallen. Dat was een moeilijke. De gulden middenweg is een smal paadje over steile rotsen, zo leerde ik. Ik ondervond het aan den lijve toen een oerlelijke vrouw straalde onder mijn regen aan complimenten, terwijl haar knappe vriendin me naarmate de tijd en het aantal lovende woorden vorderden steeds donkerder blikken toewierp en ten slotte met haar naaldhak op mijn teen ging staan.
Hoewel het veel tijd, moeite, zweet en tranen kost, had de dokter gelijk. Positief denken kan je leren. En je wordt er gelukkiger van ook. Iemand ei zo na onderkotsen is minder erg dan het daadwerkelijk doen. Als het regent blijf je best binnen wachten op de zonneschijn die ongetwijfeld komt. En de omlaag krullende mondhoeken van je geliefde wanneer zijn hand stoppels op je been ontdekt, duiden enkel op een onverwachte maar niet zozeer onaangename verrassing. Zo zie je maar.
Hij vond dat ik er soms zo’n negatieve gedachten op nahield. Zoals die keer dat ik hem ei zo na onderkotste omdat hij zijn houten palletje net iets te diep in mijn keel stak. Ik schaamde me dood en wilde me halfnaakt het kabinet uit haasten, hij haalde enkel zijn schouders op.
Het ging met vallen en opstaan.
“Positief denken kan je leren.”
“Hoe dan?”
“Denk het omgekeerde van je initiële gedachte.”
Makkelijk zat, dacht ik. Amper zes dagen later zat ik opnieuw voor zijn neus. Ontkennen dat het pijpenstelen regende, had geen zin gehad. De keelontsteking die ik tijdens mijn “zonnige dag” opgelopen had negeren, lukte evenmin.
Ik mocht niet in extremen vervallen. Dat was een moeilijke. De gulden middenweg is een smal paadje over steile rotsen, zo leerde ik. Ik ondervond het aan den lijve toen een oerlelijke vrouw straalde onder mijn regen aan complimenten, terwijl haar knappe vriendin me naarmate de tijd en het aantal lovende woorden vorderden steeds donkerder blikken toewierp en ten slotte met haar naaldhak op mijn teen ging staan.
Hoewel het veel tijd, moeite, zweet en tranen kost, had de dokter gelijk. Positief denken kan je leren. En je wordt er gelukkiger van ook. Iemand ei zo na onderkotsen is minder erg dan het daadwerkelijk doen. Als het regent blijf je best binnen wachten op de zonneschijn die ongetwijfeld komt. En de omlaag krullende mondhoeken van je geliefde wanneer zijn hand stoppels op je been ontdekt, duiden enkel op een onverwachte maar niet zozeer onaangename verrassing. Zo zie je maar.
woensdag 15 april 2009
Verbaasd
Eerst breekt je pijp, daarna je klomp, en dan breekt ten slotte het moment aan dat je nergens meer van opkijkt.
(Christophe Vekeman)
(Christophe Vekeman)
vrijdag 10 april 2009
De pop
Het is allemaal zo snel gegaan. Het ene moment was ik hot, het volgende volledig not.
Het begon nochtans veelbelovend: de wederhelft had een geduldige shopdag. Hij vond het niet irritant dat ik die ene vest zo’n vijf keer aan- en uitgetrokken heb, hem combineerde met verschillende bloesjes en minstens zeventien keer voorbij de spiegel gelopen ben (waarvan vier verschillende spiegels, om het effect van lichtinval op de stof te kunnen inschatten), om uiteindelijk te beslissen dat mijn schouders er te breed in uitkwamen. Goedgeluimd liep hij achter me aan de volgende winkel binnen, waar het ritueel zich herhaalde. Met een ander vestje, weliswaar. Toen ik me omdraaide om zijn mening te horen over de ruches op het bloesje dat ik in mijn handen hield (zou ik er niet uitzien als een eerste communicantje?), sloeg echter de bliksem in.
Het eerste wat me opviel, was dat hij meer dan de gebruikelijke anderhalve kledingwinkelmeter van me verwijderd was. Vervolgens viel mijn oog op wat hij aan het doen was. Mijn gezichtsveld werd helemaal zwart, om vervolgens spierwit weg te trekken. Net als mijn gezicht, waarschijnlijk. De pop waar hij voor stond, droeg een leren vest en poseerde met de handen op de heupen. Met zijn wijsvinger en duim mat hij de belachelijk kleine omtrek van haar pols. Zijn blik gleed goedkeurend over haar heupen. Heupen waar onmogelijk een kind doorheen kon, maar die desalniettemin veel beter oogden dan mijn overrijpe peerexemplaren.
Niet wetend wat gedaan, draaide ik me om en probeerde ik mijn weg te vervolgen alsof ik niets gezien had. Als het me tijdens mijn klunzige pirouette (mijn gezichtsveld was nog steeds niet helemaal helder) was opgevallen dat mijn handtas zich vasthaakte in een kledingsstuk, was ik daar waarschijnlijk in geslaagd. Helaas lieten de condities me niet toe zo opmerkzaam te zijn, en dus trok ik in mijn poging me zo snel mogelijk van het doembeeld te verwijderen het hele rek kleren met me mee. Temidden van een hoop kleren en tientallen nieuwsgierige blikken, sprongen het schaamrood op mijn wangen en de tranen in mijn ogen.
De wederhelft kwam lachend op me af en begon me te helpen. Eens de schade hersteld was, keek hij me lachend aan. In slow motion zag ik zijn hand mijn richting uitkomen, op weg naar mijn onderrug. Angstvallig sprong ik achteruit. Zo snel ik kon liep ik de winkel uit, weg van zijn beoordelende ogen, het vestje, de blouse met ruches en de trut van een perfect geschapen pop die mijn zelfvertrouwen aan diggelen geslagen had.
Het begon nochtans veelbelovend: de wederhelft had een geduldige shopdag. Hij vond het niet irritant dat ik die ene vest zo’n vijf keer aan- en uitgetrokken heb, hem combineerde met verschillende bloesjes en minstens zeventien keer voorbij de spiegel gelopen ben (waarvan vier verschillende spiegels, om het effect van lichtinval op de stof te kunnen inschatten), om uiteindelijk te beslissen dat mijn schouders er te breed in uitkwamen. Goedgeluimd liep hij achter me aan de volgende winkel binnen, waar het ritueel zich herhaalde. Met een ander vestje, weliswaar. Toen ik me omdraaide om zijn mening te horen over de ruches op het bloesje dat ik in mijn handen hield (zou ik er niet uitzien als een eerste communicantje?), sloeg echter de bliksem in.
Het eerste wat me opviel, was dat hij meer dan de gebruikelijke anderhalve kledingwinkelmeter van me verwijderd was. Vervolgens viel mijn oog op wat hij aan het doen was. Mijn gezichtsveld werd helemaal zwart, om vervolgens spierwit weg te trekken. Net als mijn gezicht, waarschijnlijk. De pop waar hij voor stond, droeg een leren vest en poseerde met de handen op de heupen. Met zijn wijsvinger en duim mat hij de belachelijk kleine omtrek van haar pols. Zijn blik gleed goedkeurend over haar heupen. Heupen waar onmogelijk een kind doorheen kon, maar die desalniettemin veel beter oogden dan mijn overrijpe peerexemplaren.
Niet wetend wat gedaan, draaide ik me om en probeerde ik mijn weg te vervolgen alsof ik niets gezien had. Als het me tijdens mijn klunzige pirouette (mijn gezichtsveld was nog steeds niet helemaal helder) was opgevallen dat mijn handtas zich vasthaakte in een kledingsstuk, was ik daar waarschijnlijk in geslaagd. Helaas lieten de condities me niet toe zo opmerkzaam te zijn, en dus trok ik in mijn poging me zo snel mogelijk van het doembeeld te verwijderen het hele rek kleren met me mee. Temidden van een hoop kleren en tientallen nieuwsgierige blikken, sprongen het schaamrood op mijn wangen en de tranen in mijn ogen.
De wederhelft kwam lachend op me af en begon me te helpen. Eens de schade hersteld was, keek hij me lachend aan. In slow motion zag ik zijn hand mijn richting uitkomen, op weg naar mijn onderrug. Angstvallig sprong ik achteruit. Zo snel ik kon liep ik de winkel uit, weg van zijn beoordelende ogen, het vestje, de blouse met ruches en de trut van een perfect geschapen pop die mijn zelfvertrouwen aan diggelen geslagen had.
zaterdag 28 maart 2009
Het meisje
Ze was het soort meisje dat je van meters afstand opmerkt. Mijn onbeschaamde puber van een broer zou haar een killerwijf, of anders een zalig mokkel (met langgerekte a) genoemd hebben, ik hou het liever iets beschaafder. Zijn uitroep, al dan niet gepaard gaande met een vette knipoog en/of een niet mis te verstane heupbeweging, zou het typische mannelijke jachtinstinct verwoorden. Mijn woordcombinatie, een sneer vergezeld door een minachtende blik, al dan niet gepaard gaande met een opgetrokken wenkbrauw, geeft op haar beurt uiting aan de typisch vrouwelijke jaloezie.
Ik rechtte mijn rug en zorgde ervoor dat ik pal in het gezichtsveld van mijn vriendje ging zitten. Om me heen zag ik verschillende vrouwen hetzelfde doen. Ik hield me muisstil en keek hem recht aan, geïnteresseerd knikkend bij zowat elk woord dat uit zijn mond kwam. Verschillende lotgenoten probeerden het anders. Naarmate het meisje dichterbij kwam, schuifelden sommigen op het gevaarlijke af heen en weer over hun stoel, in een poging het hele gezichtsveld van hun partner op te vullen. De vrouw aan het tafeltje naast me zag eruit alsof ze aan het aerobiccen was. Voorzichtig, mijn blik strak gefocust op zijn ogen, schoof ik wat bij haar vandaan. Het laatste wat ik kon gebruiken, was haar elleboog in mijn gezicht.
Zich maar al te goed bewust van de golf aan reacties die ze aan haar publiek ontlokte, heupwiegde het meisje veel te langzaam voorbij de tafeltjes. Sommige ongelukkigen zaten in de verkeerde richting en begrepen pas waar hun mannelijke metgezel naar aan het kijken was wanneer het te laat was. Stuk voor stuk vertrokken hun gezichten en was de rest van hun namiddag volledig verpest.
In mijn ooghoeken zag ik haar naderen. Voor zover dat nog niet het geval was, spande ik elke spier in mijn rug op en concentreerde ik me op het intussen onbegrijpelijk geworden verhaal dat mijn vriend nog steeds aan het vertellen was. De vrouw naast me had er niks beter op gevonden dan op het laatste nippertje haar vent aan zijn kraag tot halverwege het tafeltje te trekken en hem op zijn mond te kussen. Voor die last minute reddingsactie was het in mijn geval helaas te laat. Ik zag zijn blik opzij schieten en zijn wenkbrauwen omhoog gaan. Mijn rug voelde aan alsof de wervels elk moment van elkaar konden springen.
“Waarin sommige meisjes over straat durven lopen.” De afkeur droop van zijn stem. Ik beet op mijn lip en keek hem verwonderd aan, alsof ze me nog niet eerder was opgevallen. Hij keek me op zijn beurt verbaasd aan.
“Heb je weer last van je rug, schat?”
De man aan het tafeltje naast het onze grinnikte. Nu pas viel het me op dat zijn vriendin een enorme zonnebril met spiegelende glazen droeg. Of hoe vrouwen zichzelf soms vrijwillig belachelijk maken.
Ik rechtte mijn rug en zorgde ervoor dat ik pal in het gezichtsveld van mijn vriendje ging zitten. Om me heen zag ik verschillende vrouwen hetzelfde doen. Ik hield me muisstil en keek hem recht aan, geïnteresseerd knikkend bij zowat elk woord dat uit zijn mond kwam. Verschillende lotgenoten probeerden het anders. Naarmate het meisje dichterbij kwam, schuifelden sommigen op het gevaarlijke af heen en weer over hun stoel, in een poging het hele gezichtsveld van hun partner op te vullen. De vrouw aan het tafeltje naast me zag eruit alsof ze aan het aerobiccen was. Voorzichtig, mijn blik strak gefocust op zijn ogen, schoof ik wat bij haar vandaan. Het laatste wat ik kon gebruiken, was haar elleboog in mijn gezicht.
Zich maar al te goed bewust van de golf aan reacties die ze aan haar publiek ontlokte, heupwiegde het meisje veel te langzaam voorbij de tafeltjes. Sommige ongelukkigen zaten in de verkeerde richting en begrepen pas waar hun mannelijke metgezel naar aan het kijken was wanneer het te laat was. Stuk voor stuk vertrokken hun gezichten en was de rest van hun namiddag volledig verpest.
In mijn ooghoeken zag ik haar naderen. Voor zover dat nog niet het geval was, spande ik elke spier in mijn rug op en concentreerde ik me op het intussen onbegrijpelijk geworden verhaal dat mijn vriend nog steeds aan het vertellen was. De vrouw naast me had er niks beter op gevonden dan op het laatste nippertje haar vent aan zijn kraag tot halverwege het tafeltje te trekken en hem op zijn mond te kussen. Voor die last minute reddingsactie was het in mijn geval helaas te laat. Ik zag zijn blik opzij schieten en zijn wenkbrauwen omhoog gaan. Mijn rug voelde aan alsof de wervels elk moment van elkaar konden springen.
“Waarin sommige meisjes over straat durven lopen.” De afkeur droop van zijn stem. Ik beet op mijn lip en keek hem verwonderd aan, alsof ze me nog niet eerder was opgevallen. Hij keek me op zijn beurt verbaasd aan.
“Heb je weer last van je rug, schat?”
De man aan het tafeltje naast het onze grinnikte. Nu pas viel het me op dat zijn vriendin een enorme zonnebril met spiegelende glazen droeg. Of hoe vrouwen zichzelf soms vrijwillig belachelijk maken.
vrijdag 27 maart 2009
De stad
Ik dwaalde rond in de stad die ik sinds twee dagen oppervlakkig kende en warmde mijn handen aan koppen thee. Lichamen en hun aangename temperaturen passeerden me langs links en langs rechts, maar bleven buiten handbereik. De wil tot spreken was me gaandeweg vergaan, aangezien niemand de taal die ik sprak leek te kunnen plaatsen. Ik was alleen.
Naarmate de tijd verstreek, trok ik een schild op. Sommigen zouden het onverschilligheid noemen, ik zag het als een beschermingslaag tegen vijandige aanvallen. Ik geloof heilig in de dodelijkheid van sommige blikken.
Bij het vallen van de avond merkte ik dat het volkomen stil was om me heen. En dat terwijl mensen me in kuddes voorbijliepen, hun monden opengetrokken in luide uitroepen en hikkende lachen. Ik keek om me heen. De neonlichten boven de deuren van de vele restaurants staken flauwtjes af tegen de nachtelijke hemel. De gevels van de huizen liepen niet langer loodrecht de hoogte in, maar bogen zich verstikkend naar me toe. Alsof ze me eerst tegen en later in de grond wilden drukken.
De stem kwam van heel ver. Ik voelde hoe mijn hoofd heen en weer zwengelde, maar kon de oorzaak van de beweging niet lokaliseren. Al mijn vitale lichaamsfuncties leken uitgeschakeld. Ik hoorde, voelde en zag amper. Ik had me afgesloten van de wereld. Of was het andersom? De stem klonk steeds luider, het licht werd steeds feller. Na wat ettelijke uren leken, begreep ik dat iemand tegen me aan stond te duwen. Een man. Hij schreeuwde. En hij stonk verschrikkelijk. Ik voelde iets koud achter mijn rug. Een muur. Ik ontwaarde een rij straatlampen aan de overkant van de straat. Toen alle zintuigen ongeveer in hun oude staat hersteld waren, keek ik opzij. De man stopte met duwen. Hij keek me aan en vroeg of ik in orde was. Blij met de aandacht die ik eindelijk kreeg, knikte ik. Hij grijnsde, schijnbaar opgelucht dat hij me tot leven had kunnen wekken.
“Goed! Heb je dan misschien wat geld voor me?”
Naarmate de tijd verstreek, trok ik een schild op. Sommigen zouden het onverschilligheid noemen, ik zag het als een beschermingslaag tegen vijandige aanvallen. Ik geloof heilig in de dodelijkheid van sommige blikken.
Bij het vallen van de avond merkte ik dat het volkomen stil was om me heen. En dat terwijl mensen me in kuddes voorbijliepen, hun monden opengetrokken in luide uitroepen en hikkende lachen. Ik keek om me heen. De neonlichten boven de deuren van de vele restaurants staken flauwtjes af tegen de nachtelijke hemel. De gevels van de huizen liepen niet langer loodrecht de hoogte in, maar bogen zich verstikkend naar me toe. Alsof ze me eerst tegen en later in de grond wilden drukken.
De stem kwam van heel ver. Ik voelde hoe mijn hoofd heen en weer zwengelde, maar kon de oorzaak van de beweging niet lokaliseren. Al mijn vitale lichaamsfuncties leken uitgeschakeld. Ik hoorde, voelde en zag amper. Ik had me afgesloten van de wereld. Of was het andersom? De stem klonk steeds luider, het licht werd steeds feller. Na wat ettelijke uren leken, begreep ik dat iemand tegen me aan stond te duwen. Een man. Hij schreeuwde. En hij stonk verschrikkelijk. Ik voelde iets koud achter mijn rug. Een muur. Ik ontwaarde een rij straatlampen aan de overkant van de straat. Toen alle zintuigen ongeveer in hun oude staat hersteld waren, keek ik opzij. De man stopte met duwen. Hij keek me aan en vroeg of ik in orde was. Blij met de aandacht die ik eindelijk kreeg, knikte ik. Hij grijnsde, schijnbaar opgelucht dat hij me tot leven had kunnen wekken.
“Goed! Heb je dan misschien wat geld voor me?”
Abonneren op:
Posts (Atom)